Wat is boeddhisme?

Het boeddhisme is een weg naar bevrijding, en verlossing van het Ego. Haar oorpsrong is van Aziatische bodem. De stichter van het boeddhisme is Siddharta Gautama. Later in zijn leven werd hij Boeddha genoemd, dat betekent de ontwaakte of de verlichte. Gautema is ongeveer 560 jaar voor Christus geboren als zoon van Sjoeddhodana.

Boeddha is op een hele wonderlijke wijze geboren. Koningin Maya, de echtgenote van Sjoeddhodana droomt op een nacht dat een witte olifant uit de hemel neerdaalt en haar rechterzijde binnendringt.

Droomuitleggers vertellen dat ze op wonderlijke wijze zwanger is geworden en dat haar zoon een heilig kind zal zijn, dat later tot volmaakte wijsheid zal komen voor het welzijn van de hele wereld.

Boeddha is uiteindelijk geboren in het Loembinipark onder het dichte bladerdak van bomen. Het gelijk al is het duidelijk dat het een wonder kind is, het staat op en doet zeven passen in elke windrichting. Op de plaatsen waar zijn voeten de aarde raken komen lotusbloemen tevoorschijn. Na zeven dagen sterft Maya en krijgt Boeddha de naam Siddharta.

Wanneer we het boeddhisme bestuderen, bestuderen we onszelf – we leren over de aard van onze eigen geest. De nadruk ligt niet op iets verhevens; het gaat over praktische zaken zoals hoe we ons dagelijks leven leiden en hoe dit in onze geest te integreren zodat de geest vredig en gezond kan blijven. In andere woorden, de nadruk ligt op het ervaren van kennis-wijsheid, niet op dogmatische zienswijzen. In feite zouden we in westerse terminologie zeggen dat boeddhisme geen religie is, maar eerder filosofie, wetenschap of psychologie.

De menselijke geest is instinctief op zoek naar geluk; in dit opzicht zijn oosterlingen en westerlingen niet verschillend. Maar als je levenswijze de wereld van de zinnen overmatig benadrukt, en je er emotioneel aan vastklampt, dan wordt het erg gevaarlijk – je bent de beheersing kwijt. Beheersing is geen oosterse gewoonte of een boeddhistische ‘trip’; we hebben allemaal beheersing nodig. Vooral degenen die een materialistisch leven leiden en teveel aan objecten gehecht zijn. Vanuit het gezichtspunt van het boeddhisme is zo’n geest niet gezond, maar mentaal ziek. Je weet al dat externe wetenschapelijke vooruitgang alleen niet alle wensen van onze hechting kan vervullen, of je emotionele problemen kan stoppen.

Daarom is de methode die de Boeddha onderricht erop gericht je de aard van de menselijke geest en je menselijke potentieel te laten zien, en hoe je je verder kunt ontwikkelen. Bovendien, deze methode legt geen nadruk op blind geloven, maar op het begrijpen van metafysische processen. Maar, of je nu religieus bent of niet, een gelovige of ongelovige bent, het meest belangrijke is om de aard van je geest te kennen. Als je dat niet doet is het heel eenvoudig om te denken dat je gezond bent en goed functioneert in je dagelijks leven, terwijl in feite de wortels van verstorende emoties zich sterker en dieper in je geest vastgroeien. Met deze fundamentele oorzaak van psychologische ziekte in jezelf, kan een minimale verandering in je omstandigheden een mentale ziekte teweegbrengen. Zo lang als je helemaal bent ondergedompeld in blinde gehechtheid aan de wereld van de zintuigen, zonder de natuur van je geest te kennen, kan dit zomaar gebeuren. Je kunt dit niet verwerpen: “Ik geloof het niet”. Je kunt je eigen neus ook niet verwerpen: “Ik gelof niet dat ik een neus heb”. Of je het gelooft of niet, je neus is er!

Veel westerlingen zeggen: “Ik geloof nergens in”; ze zijn zo trots om ongelovigen te zijn. Maar check dit – het is heel belangrijk te weten. In het westen zijn er zoveel tegenstellingen: wetenschappers denken dat ze ongelovigen zijn; religieuze mensen denken dat ze gelovigen zijn. Maar of je nu denkt een gelovige of ongelovige te zijn, je moet de aard van je eigen geest kennen.

Je praat altijd over verlangens en gehechtheden, maar je weet niet hoe ze te beheersen. Om het woord te zeggen is makkelijk, maar om de aard van gehechtheid te kennen is erg moeilijk. Een eenvoudig voorbeeld: auto’s en vliegtuigen zijn uitgevonden zodat mensen dingen sneller kunnen doen, zodat ze meer tijd hebben voor ontspanning; maar het resultaat is dat de geest van mensen rustelozer is dan ooit. Ik klaag niet, maar onderzoek je eigen leven. Ik probeer te zeggen dat het hele land bezig is in de wereld van de zintuigen, beheerst door hun verlangens en gehechtheid, je hebt geen kans om de waarheid van je eigen geest te zien. Ik noem dat soort life-style moeilijk. Er is geen enkele manier waarop je jezelf helemaal kunt vermaken en voldoening te beleven, omdat ware voldoening vanuit de geest komt, niet van externe verschijnselen.

Moderne, intelligente, skeptische jongeren hebben wat begrip van wat er belangrijk in het leven is, en weten dat geluk niet alleen van tijdelijke, of – in boeddhistische termen “samsarische” objecten afhangt. Daarom zoeken ze naar iets wat echte voldoening geeft. Toen de Boeddha zoveel over het lijden sprak, doelde hij niet in eerste instantie niet op lichamelijke ziekte en pijn, maar naar ontevredenheid. Ontevrednheid is het echte lijden. Het maakt niet uit hoeveel je krijgt, je verlangens verminderen niet; je wilt altijd meer. Dat is lijden, dat is misleide frustratie.

De boeddhistische psychologie somt zes fundamentele waanideeën op die frustreren en de rust van de menselijke geest verstoren, en rusteloosheid veroorzaken: verlangen, woede, onwetendheid, trots, misleide twijfel en vasthouden aan foutieve zienswijzen. Dit zijn mentale en niet externe fenomenen. Dus toen de Boeddha aan mensen vertelde hoe ze van deze waanideeën af konden komen, legde hij de nadruk op het begrijpen van hun ware aard, niet eenvoudig op geloof en vertrouwen. Zonder je eigen geest te onderzoeken en het ontwikkelen van zelfbeschouwende kennis-wijsheid is het niet mogelijk een dergelijk begrip te verkrijgen. Ondanks dat we veel over waanideeën praten, weten we eigenlijk van niets. Deze fundamentele waanideeën komen vanuit het ego, zij maken de geest rusteloos. Om vrij te zijn hoef je geen bezittingen op te geven. Je kunt je bezittingen houden, maar als je dat met hechting doet, dan maak je jezelf rusteloos en je leven moeilijk; je houdt je geest mistig en vervuild. De vertroebelde geest is van nature onwetend en opgewonden; het licht van de wijsheid kan in zo’n geest niet groeien. De oplossing van dit probleem ligt in meditatie.

Meditatie is niet alleen in een hoekje niets zitten doen, proberen éénpuntige concentratie te ontwikkelen. Het is een soort wijsheid die vrij is van luiheid, met als functie het bewustzijn van de staat van de geest. In je dagelijkse leven zou je je bewust moeten zijn van alles wat je doet, waarom en hoe je het doet. Gewoonlijk doen we alles onbewust; we eten onbewust, drinken onbewust, praten onbewust. We hebben geen idee wat er in onze geest gebeurt, zelfs als we zeggen dat we ‘bij bewustzijn’ zijn. Ik probeer je niet te veroordelen, je te kleineren, maar je moet zelf kijken. In het boeddhisme geven we ideeën aan zodat je die kan oncderzoeken en ervaren. Il praat niet over iets hoog in de lucht. Dit is heel eenvoudig.  Als je de aard van hechting en zijn objecten niet kent dan is het onmogelijk voor je om liefdevolle vriendelijkheid voor je vrienden, ouders en land te voelen. Omdat je geest onbewust is, doe je mensen die je na staan pijn. Op dezelfde manier, iemand die kwaad is vergeet zichzelf helemaal; hij heeft geen idee wat er in zijn geest gebeurd. Je kent het wel; dit zijn gewoon voorbeelden van wat we doen. We doen anderen vaak pijn door onbewust te zijn: we zijn ons niet bewust van ons gedrag of mentale houding en hebben geen respect voor anderen.

In het westen zijn er mensen met een specialistische opleiding in psychologie. Maar de Boeddha wil dat we allemaal psychologen worden; je zou je eigen geest moeten kennen. De Boeddha voelt dat het zeer wel mogelijk is dat iedere mens de mogelijkheid heeft zijn eigen geest te kennen en daardoor te beheersen. Wanneer je de eigen geest begrijpt, komt de beheersing vanuit zichzelf. Denk nu niet dat het onderzoeken van de geest een Himalaya trip is, iets alleen voor mensen die geen bezittingen hebben. Maar check; als je ergens emotioneel bij betrokken bent, in plaats van iets te doen, ontspan jezelf; probeer je bewust te zijn van wat je doet. Vraag jezelf: “Wat doe ik? Waarom? Wat laat me dit doen?” Het is echt verbazingwekkend als je jezelf zo analyseert. Met begrip kun je je problemen makkelijk stoppen. Ons probleem is dat we intensieve kennis-wijsheid, oplettendheid of bewustzijn missen, het maakt niet uit hoe je het noemt.

Om anderen liefdevolle vriendelijkheid te laten zien moet je de aard van het object kennen. Als je dat niet doet, kom je in één of andere arrogante ego-trip terecht. “Ik hou van hem”, “ik hou van haar”. Probeer er zeker van te zijn van het hoe en waarom – het is zo belangrijk om je eigen psycholoog te worden. Dan kun je jezelf met je eigen wijsheid behandelen, en van je bezittingen genieten met een ontspannen geest in plaats van een rusteloze en op hol geslagen geest die je leven ruineert.

Om een psycholoog te worden hoef je geen grote filosofie te leren; je hoeft alleen maar je eigen geest dagelijks te onderzoeken. Je onderzoekt materiele dingen dagelijks – het eten in je keuken bijvoorbeeld – dus waarom zou je je geest niet kunnen checken? Dit is veel belangrijker.

Het leven in het westen is gebaseerd op een houding van: ” Ik kan altijd de oplossing voor mijn problemen in de supermarkt kopen.” Je denkt dat je altijd naar de apotheek kunt gaan en wat pillen kunt halen; dat wanneer je emotioneel gefrustreed bent, je bij de dokter een pil kunt halen. Denk je echt dat die remedies echt helpen? Natuurlijk niet. Hoewel ze lijken te helpen, gaat het effekt snel over. Ze vernietigen niet eens de symptomen van emotionele waanideeën, ze maken je alleen traag en lui en meer onwetend.

Jullie materialistische geest denkt dat plezier en geluk gekocht kunen worden, maar dat gaat niet. Diep in je geest zit het idee dat je een vredige geest in de supermarkt kunt kopen. Dat is een totaal verkeerde opvatting. Religieuze mensen zouden ook hun eigen geest moeten begrijpen in plaats van alleen ergens in proberen te geloven; dat is veel praktischer. Gelof alleen kan je problemen niet oplossen; alleen begrijpende kennis-wijsheid kan dat. De Boeddha zei zelfs dat het gevaarlijk is om in de Boeddha te geloven, en spoorde ons aan om in plaats daarvan onze eigen geest te begrijpen. Als je iets met je eigen geest hebt ontdekt, dan is het juist om erin te geloven. Geloof wat gebaseerd is op realisaties of helder intellectueel begrip is volkomen in orde. Maar als het je niet duidelijk is waarom je gelooft waar je in gelooft, dan kan je geloof makkelijk door anderen vernietigd worden. Veel mensen met een spirituele inslag zijn zwak omdat ze de ware aard van hun geest niet begrijpen. Begrip is een vorm van mentale energie: het ondersteunt je geest en houdt het gezond.

Als je de zienswijze van je geest begrijpt, of hoe je dingen waarneemt, dan realiseer je dat je de hele tijd aan de wereld van de zintuigen hebt vastgehouden, en aan een gefantaseerde, idealistische toekomst die eenvoudig een projektie van je geest is, die geen enkele fysieke realiteit bezit; dan ben je helemaal onbewust van het heden geweest. Je zult moeten toegeven dat dit een ongezonde staat van de geest is.

Het is erg belangrijk om tijdens je hele dag een bewustzijn te handhaven. De aard van wijsheid en oplettendheid is vrede en geluk. Je hoeft niet naar de ervaring van plezier te grijpen, of iets anders dat het kan geven; je moet eenvoudig juist handelen met het juiste begrip. Zo komt het resultaat van geluk spontaan tevoorschijn. Je hoeft niet te denken: “Als ik mijn hele leven zo doorbreng, dan zal ik in mijn volgende leven het goede resultaat ervaren”. Je hoeft niet geobsedeerd te zijn om één of andere realisatie te bereiken. Zo lang als je handelt met zoveel begrip als je kunt, zul je snel de realisatie van eeuwigdurende vrede bereiken.

Drie Hoofdzaken Van Het Pad 

 

De drang naar bevrijding, De verlichtingsgeest, De juiste zienswijze. 

 

Ik betuig eerbied en devotie aan de eerbiedwaardige spirituele leraren. 

 

De wezenlijke betekenis van al het onderricht van de Boeddha, het pad geprezen door de heiligen bodhisattva’s, de oversteek voor alle fortuinlijken die naar bevrijding verlangen, zal ik naar eer en beste vermogen uitleggen. 

 

Allen die niet gehecht zijn aan de genoegens van het wereldse bestaan, die ernaar streven betekenis te geven aan dit leven met vrijheden en rijkdommen en vertrouwen stellen in het pad van de Boeddha, jullie fortuinlijken, luister met volle aandacht. 

 

Omdat juist het verlangen naar het wereldse bestaan alle belichaamde wezens bindt, en er behalve een zuivere drang naar bevrijding geen methode is om het verlangen naar het wereldse bestaan te pacificeren moet je vanaf het begin de drang naar bevrijding ontwikkelen. 

 

Door je ervan bewust te worden hoe moeilijk het is een waardevolle menselijke geboorte met vrijheden en rijkdommen te verwerven, en hoe weinig tijd er in dit leven nog is, zul je de nadruk op de verschijnselen van dit leven tegengaan. 

 

Door steeds opnieuw na te denken over activiteiten en hun onafwendbare gevolgen, en over het lijden in de kringloop van bestaan, zul je de nadruk op de verschijnselen van toekomstige levens tegengaan. 

 

Als je door op deze mannier te contempleren, zelfs geen ogenblik meer waardering hebt, voor de genoegens van de kringloop van bestaan, en zover bent dat je dag en nacht onafgebroken naar bevrijding streeft, dan heb je de drang naar bevrijding echt ontwikkeld. 

 

Omdat de drang naar bevrijding niet lijdt tot de gelukzaligheid van het onovertroffen Boeddhaschap, als die niet wordt verijkt met de zuivere verlichtingsgeest, wekken zij die verstandig zijn deze superieure motivatie om verlicht te worden op. 

 

Alle gewone wezens worden voortdurend meegesleurd door de stroom van de vier gewelddadige rivieren. (Onwetendheid Gehechtheid Afkeer Jaloezie) Lijden, Het lijden van het lijden, het potentiële lijden. 

Ze zijn geketend met de strakke boeien van moeilijk af te wenden karma. 

Ze zitten gevangen in de ijzeren kooi van het vasthouden aan inherent bestaan en zijn volkomen gehuld in de dichte duisternis van hun verkeerde denkbeelden. 

 

Steeds opnieuw worden ze geboren in de eindeloze kringloop van bestaan, waarin ze onafgebroken mateloos worden gekweld door de drie soorten lijden. Hebzucht Woede Onbegrip. 

Ontwikkel de superieure motivatie om verlicht te worden, door na te denken over de mannier waarop je moeders zich in deze situatie bevinden. 

 

Als je de onderscheidende wijsheid, die de ware manier van bestaan kent niet eigen maakt, zul je de wortel van het wereldse bestaan niet kunnen verwijderen, ook al ben je nog zo goed getraind in de drang naar bevrijding en in de verlichtingsgeest. 

Werk daarom intensief met de methoden om onafhankelijk bestaan te begrijpen. 

 

 

Degenen die inzien dat de wet van oorzaak en gevolg onafwendbaar is en betrekking heeft op alle verschijnselen, zowel binnen de kringloop van bestaan als daarbuiten, en die al hun verkeerde denkbeelden ( die extreme zienswijzen veroorzaken), wat die ook mogen zijn uit elkaar zien vallen, bevinden zich op het pad dat de Boeddha’s behaagt. 

 

Zolang je begrip dat alle verschijnselen afhankelijk ontstaan zijn en je begrip dat leegte het ontbreken van hun inherente bestaan is, twee verschillende dingen lijken te zijn, heb je de bedoeling van de Boeddha nog niet begrepen. 

 

Wanneer je alles onweerlegbaar als afhankelijke relaties ziet, en tegelijkertijd je vasthouden aan inherent bestaan beëindigd ziet, en als je deze twee realisaties niet meer afwisselend, maar als een geheel ziet, dan hebt je de juiste zienswijze volbracht. 

 

Als bovendien je begrip van verschijnselen als afhankelijke relaties de zienswijze van inherent bestaan uitschakelt, en je begrip van leegte van inherent bestaan de zienswijze van nihilisme uitschakelt, en als je weet hoe leegte zich in oorzaak en gevolg manifesteert, zul je niet meer misleid worden door extreme zienswijzen. 

 

Wanneer jij mijn zoon of dochter, de essentie van deze drie hoofdzaken van het pad hebt begrepen, ga dan in afzondering leven, ontwikkel de kracht van enthousiaste volharding en bereik snel je voorgenomen doel. 

 

Lama Tsong Khapa 

 

inherent 

van nature innig verbonden => eigen 

 

nihilisme   

het verwerpen van alle stellige overtuiging of van alle binding op esthetisch, filosofisch of sociaal gebied  

ongeloof in enige therapie  

psychopathische waan dat een deel van het lichaam of enig ander deel van de werkelijkheid niet meer bestaat 

 

 

 

 

Overzicht standpunten van de leer van de Boeddha. 

 

Boeddha leefde van 624 v. Chr tot 544 v. Chr Ongeveer 500 jaar voor Christus. 

Het Boeddhisme bestaat uit twee hoofd stromingen: 

Therevada of Hinayana Het kleine voertuig, het mindere pad. 

Mahayana Het grote voertuig: het grote betere pad. 

 

Het boeddhisme kende een grote bloei in India en dat duurde ongeveer 1000 jaar. Toch werd het nooit erkend als een officiële religie. Vanuit India hadden de ideeën van Boeddha zich al snel verspreid over Zuidoost-Azië, onder meer over Sri Lanka, Birma, Thailand en Cambodja. Die vorm van het Boeddhisme werd het therevada- boeddhisme genoemd, wat letterlijk betekent ‘de manier van de ouderen’. In het therevada kan het nirvana allen bereikt worden indien men zich laat wijden als monnik en de regels van de boeddha strikt toepast. 

 

In Centraal-Azië (China, Korea, Vietnam en Japan) overheerst een andere vorm van boeddhisme. Vanwege de geografische spreiding wordt die stroming het noordelijke boeddhisme genoemd, in onderscheid met het zuidelijke theravada-boeddhisme. Een andere naam is het mahayana-boeddhisme dat zoveel betekent als het boeddhisme van het ‘grote voertuig’. In het mahayana gat men ervan uit dat de verlichting mogelijk wordt door geloof en devotie en dus bereikbaar is voor iedereen, ook voor leken. Vandaar het beeld van een ‘groot voertuig; en de ietwat smalende naam hinayana of ‘klein voertuig’ voor het therevada.  

 

Ook in Tibet en Nepal ontstond een aparte vorm van het boeddhisme, het vahrayana-boeddhisme genoemd, het ‘diamanten voertuig’. Hier kan de verlichting verkregen worden op een snelle manier. Er wordt gebruik gemaakt van verschillende technieken die zich bevinden in de mystieke sfeer, zoals mantra’s, rituele spreuken die op een specifieke manier gereciteerd worden, mandala’s, magische cirkels die de kosmos voorstellen en mudra’s, specifieke handbewegingen. Bijzonder nadruk krijgt ook de yoga en de meditatie. Het vajrayana-boeddhisme kent een geestelijke leider die jarenlang ook de wereldlijke leider was van Tibet, de Dalai Lama. (daila betekent: oceaan van wijsheid) 

 

Hoofdzaken van de leer 

 

Drie juwelen: 

  1. De Boeddha– Siddharta Gautama – Shakyamani 
  1. De Dharma– De leer van de Boeddha 
  1. De Sangha– De boeddhistische gemeenschap, de Dalai Lama enz. 

 

Verlichting bereiken d.m.v. het boeddhisme begint met toevlucht nemen tot de drie juwelen. 

 

De vier edele waarheden: 

  1. Dukkha: de onvolkomenheid, onbevredigheid van het bestaan en het lijden. 
  1. Samudaya: het lijden heeft een oorzaak, te weten onwetendheid. Deze uit zich weer in gehechtheid, begeerte en haat. 
  1. Niradha: de oorzaak van het lijden kan worden opgeheven. Verlichting is mogelijk.  
  1. Magga: de weg. Het achtvoudige pad, dat daarmee een weg is om het lijden te overstijgen en om het nirvana te ervaren. 

 

De vijf geloften (panchasila): 

  1. Niet doden (geweldloosheid) 
  1. Niet te nemen wat niet gegeven wordt 
  1. Geen valse taal te gebruiken 
  1. Geen seksueel wangedrag 
  1. Geen gebruik van bedwelmende middelen. 

 

Het aankweken van moraliteit 

  1. Deugdzaamheid 
  1. Het bewaken van de zintuigen 
  1. Opmerkzaamheid 
  1. Helder begrip 

 

Dit doen leidt tot uitdoving van het bewustzijn, is innerlijke rust 

De drie kenmerken van bestaan: 

  1. Dukkha – lijden, het gebrek aan bevrediging dat het leven biedt 
  1. Anicca – vergankelijkheid. Alles in deze wereld is tijdelijk. 
  1. Anatta –  de afwezigheid van een blijvend zelf, of ziel 

 

Absoluut noodzakelijk: 

  1. Voedsel 
  1. Onderdak 
  1. Kleding 
  1. Medicijnen 

Verklaring van Boeddha: Het is heel onwaarschijnlijk dat je als mens wordt geboren met alle zintuigen intact en de mogelijkheid om de waarheid te vernemen. 

 

De vijf ophopingen (skanda’s): 

  1. Vorm 
  1. Gevoel 
  1. Waarneming 
  1. Karmatische formatie 
  1. Bewustzijn 

De vijf skanda’s houden vast aan de idee van een ego dat ze bijeen houdt. Maar eigenlijk is er niets, alleen een reeks processen. 

 

Vijf belemmeringen: 

  1. Het verlaten van werelds verlangen = hunkering 
  1. Kwade wil – boosheid en haat 
  1. Laksheid en apathie – inertie1 en starheid 
  1. Rusteloosheid en bezorgdheid, zorgelijkheid 
  1. Twijfel – onzekerheid 

 

Het achtvoudige pad: 

  1. Het juiste inzicht 
  1. De juiste intentie 
  1. De juiste spraak 
  1. De juiste handelswijze 
  1. Het juiste levensonderhoud 
  1. De juiste inzet 
  1. De juiste geesteshouding 
  1. De juiste concentratie 

 

Aspecten van opmerkzaamheid: 

  1. Het lichaam 
  1. Emoties 
  1. Gemoedstemming 
  1. Gedachte inhoud 

 

De zeven factoren van verlichting: 

  1. Gewaarzijn 
  1. Onderzoek van de dharma 
  1. Energie 
  1. Vreugde 
  1. Stilte 
  1. Concentratie 
  1. Gelijkmoedigheid 

 

Het bovenstaande doen kweekt de Bodhicitta = de verlichtingsgeest 

Manjushri = de boeddha van wijsheid 

Lessen van Boeddha 

  1. Wees mild tegenover jezelf. Kijk met liefde, aandacht en mededogen naar je lichaam en naar je geest. Sta niet meteen klaar met een oordeel. Als je mild bent tegenover jezelf, wordt je zelfbeeld realistischer. Je weet wat je talenten zijn, waar je krachten ligt en waar niet. Je hoeft je minder te bewijzen en leert verantwoordelijkheid te dragen voor wie je bent en voor wat je doet. Dat geeft rust en dat is prettig, niet alleen voor jezelf maar ook voor je omgeving. 
  1. Laat anderen zijn wie ze zijn. De mensen die we in ons leven tegenkomen, ook de lastige, zijn stuk voor stuk spirituele leraren. Ze vormen een spiegel en laten ons zien of we inderdaad zo geduldig, tolerant en vriendelijk zijn als we zouden willen zijn. Door ons bewust te zijn van hoe we anderen behandelen kunnen we veel over onszelf leren. Daarnaast is het van belang om in te zien dat niets blijvend is. Mensen veranderen en maken keuzes, geef hen de ruimte om dat te doen en te mogen. 
  1. Laat negatieve gevoelens voorbij drijven. Iedere gemoedstoestand is van voorbijgaande aard, dus je hoeft je er niet door in beslag te laten nemen. Het is niet nodig gevoelens te onderdrukken, maar het is ook niet altijd nodig om ernaar te handelen. Als je lang genoeg wacht, gaan ze vanzelf weer weg. Las dus een pauze in op het moment dat je een negatieve emotie voelt opborrelen. Daarna kun je rustig en weloverwogen reageren. 
  1. Werk met je hart. Je houding ten opzichte van je werk bepaalt voor een groot deel of je er voldoening uit haalt. Als je alleen maar werkt om geld te verdienen of als je puur gericht bent op carrière maken, is de kans op ontevredenheid en frustratie het grootst. Mensen die hun werk echter als roeping beschouwen en het zien als een waardevol iets, ervaren meer voldoening. Zij focussen zich namelijk niet op het product of einddoel, maar op het proces. 
  1. Gun het heden je volle aandacht. Als we alles met aandacht doen, genieten we meer. Richt je dus op datgene wat er nu gebeurt en probeer geen gedachten toe te laten over het verleden of over de toekomst. Mensen die zich trainen om in het ‘nu’ te leven, worden zich meer bewust van hun emoties en zullen uiteindelijk meer plezier in hun leven ervaren dan mensen die vooral bezig zijn met ‘vroeger’ of ‘later’. 
  1. Concentreer je. Een gebrekkige concentratie zorgt ervoor dat we bepaalde handelingen opnieuw moeten uitvoeren omdat we ze de eerste keer niet bewust hebben gedaan. Leven met aandacht gaat chaos en afwezigheid tegen en cultiveert een scherpe, oplettende geest. Daardoor spaar je tijd en energie. Naarmate je meer bewust bent van je welbevinden, zal je het energieniveau ook beter kunnen bewaken en jezelf minder gauw voorbij rennen. 
  1. Beperk je tot de essentie. De kwaliteit van je leven zal toenemen naarmate je beter weet waar het voor jou precies om draait. Als je bewust leeft, ontdek je sneller wat je nou echt belangrijk vindt. Je hebt steeds minder prikkels van buitenaf nodig om je goed te kunnen voelen. Zie het als een grote schoonmaak met als resultaat een heldere, zuivere kijk op het leven. 

De Vier Edelen Waarheden 

  1. De waarheid van het lijden; waarmee bedoeld wordt dat alle (onverlichte) bestaan een kwaliteit van duhkha (veelal vertaald met lijden, maar letterlijk ‘als het aanlopen van een wagenas’) heeft. 
  1. De waarheid van de oorzaak van lijden; de oorzaak van lijden is verkeerd inzicht (in de aard van de werkelijkheid) is, ook wel aangeduid met het begrip onwetendheid. 
  1. De waarheid van de mogelijkheid tot de beëindiging van lijden; er is een uitweg uit lijden. 
  1. De waarheid van het pad naar het einde van lijden; meest aangeduid als het Edele Achtvoudige Pad, dat bestaat uit de beoefening van meditatie (vrede sluiten met jezelf), discipline (het aanleren van een altruïstische levenshouding) en wijsheid (het ontwikkelen van inzicht in de echte aard van de werkelijkheid). 

De vier edele waarheden (cattari ariya sacca).  

  1. Het bestaan van lijden

Variërend van ontevredenheid tot kwelling, is lijden een steeds terugkerende ervaring in ons leven. De Boeddha bedoelt dat het lijden ons hele bestaan doordringt en zowel onze geest als ons lichaam beïnvloedt. Geluk is slechts van korte duur en zal snel weer plaats maken voor ontevredenheid of begeerte. Niets in onze wereld is helemaal perfect of betrouwbaar, en onze enige zekerheid is de dood.
Het woord ‘lijden’ is een vertaling van het Sanskriet ‘Dukkha’, wat ook veel algemener ongemak, frustratie of het ervaren van problemen betekent.  

  1. De oorzaken van lijden

Gewoonlijk geven we de omstandigheden of andere mensen de schuld van onze pijn en frustraties. Maar als we heel eerlijk zijn, ontdekken we dat ons hart vol zit met eindeloze verlangens: “Als ik dat en dat heb, dan zal ik gelukkig zijn”, maar ook op een subtieler niveau als “Ik wil goed zijn, rijker zijn, beter zijn, ik wil: ” Het lijken allemaal wel goede ideeën, maar ze leiden nooit tot een volledige voldoening.
In plaats van voldoening komt ons ontevreden ego altijd weer met andere wensen. Deze eindeloze verlangens laten ons dingen doen die vaak negatief zijn voor anderen, en deze negatieve acties (karma) resulteren in de toekomst weer voor meer problemen voor onszelf. We begrijpen niet dat onze eigen gedachtepatronen en daden in feite ons eigen geluk of ongeluk voor de toekomst bepalen.  

  1. Het wegvallen van de oorzaken van lijden

Toen de Boeddha de verlichting bereikte, begreep hij dat er een definitief einde kan komen aan dit lijden. De Boeddha bereikte deze staat van het einde van het lijden (Nirvana), en dit is een inspiratiebron om te proberen onszelf ook te bevrijden van de wereld van onbevredigde verlangens en lijden, de kringloop van wedergeboorte (Samsara in het Sanskriet). 

  1. Het pad dat leidt naar het opheffen van de oorzaken van lijden

De Boeddha geeft advies om te leven op een manier waarbij we ons niet langer laten leiden door eindeloze verlangens, en de voorwaarden te scheppen om uiteindelijk Nirwana en zelfs het Boeddhaschap te bereiken. Dit zijn bij voorbeeld het achterwege laten van de tien negatieve activiteiten (zoals doden, stelen, seksueel wangedrag, liegen, etc.) en het achtvoudige pad, dat ons praktische manieren biedt om onze verlangens en lijden te doen verminderen en uiteindelijk geheel te stoppen 

Het Edele Achtvoudige Pad, namelijk:  

 

        1 het juiste begrip (pali: samma ditthi)  

  1. Begrijpen wat lijden is (dukkhe ñana).  
  1. De oorzaak van lijden begrijpen (dukkhasamudaye ñana).  
  1. De opheffing van lijden begrijpen (dukkhanirodhe ñana).  
  1. Het pad begrijpen dat leidt naar de opheffing van lijden (dukkhanirodhagamini patipadaya ñana).  

2 juiste gedachten / juiste intenties (pali: samma sankappa)  

  1. Gedachten van het verzaken van zelfzucht (nekkhamma sankappa).  
  1. Gedachten van welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid (avyapada sankappa).  
  1. Gedachten van geweldloosheid, harmonie of mededogen (avihimsa sankappa).  

(Deze eerste twee waarheden vormen samen de groep van wijsheid. Pali: paññakkhandha)  

 

3 juist spreken (pali: samma vaca).  

  1. Onthouding van het vertellen van leugens (musavada veramani).  
  1. Onthouding van het spreken van lasterende taal (pisunaya vacaya veramani).  
  1. Onthouding van het spreken van harde woorden (pharusaya vacaya veramani).  
  1. Onthouding van onzinnig gepraat (samphappalapa veramani).  

4 juist handelen (pali: samma kammanta)  

  1. Onthouding van doden (panatipata veramani).  
  1. Onthouding van nemen wat niet gegeven is (adinnadana veramani).  
  1. Onthouding van seksueel wangedrag (kamesu micchacara veramani)  

5 juiste wijze van levensonderhoud (pali: samma ajiva)  

  1. Geen handel in wapens.  
  1. Geen handel in slaven en prostitutie.  
  1. Geen handel in levende wezens voor vleesproductie en slachterij of iedere andere handel in wezens.  
  1. Geen handel in vergif.  
  1. Geen handel in bedwelmende middelen.  

(De waarheden drie, vier en vijf vormen samen de groep van moraliteit. Pali: Silakkhandha)  

6 juiste inspanning (pali: samma vayama)  

  1. Slechte gedachten en heilloze (akusala) zaken die nog niet opgekomen zijn vermijden (samvara padhana).  
  1. Het overwinnen van slechte gedachten en heilloze zaken die reeds opgekomen zijn (pahana padhana). 
  1. Het opwekken en ontwikkelen van heilzame (kusala) zaken en goede gedachten die nog niet opgekomen zijn (bhavana padhana).  
  1. Het tot groei brengen van heilzame zaken en goede gedachten die reeds opgekomen zijn (anurakkana padhana).  

7 juiste indachtigheid (aandacht, bewustzijn, concentratie, pali: samma sati)  

  1. Bewustzijn van het lichaam (kaya nupassana).  
  1. Bewustzijn van gevoelens (vedana nupassana).  
  1. Bewustzijn van de geest (citta nupassana).  
  1. Bewustzijn van mentale objecten (dhamma nupassana) namelijk:  
  • De vijf hindernissen (pañca nivarana).  
  • De vijf aggregaten van hechten (pañca upadana kkhandha).  
  • De zes innerlijke en zes uiterlijke zintuigsferen (salayatana).  
  • De zeven factoren van verlichting (bojjhanga).  
  • De vier edele waarheden (cattari ariya sacca).  

8 juiste concentratie (pali: samma samadhi)  

 

1e Meditatieve verdieping (pathamajjhana).  

2e Meditatieve verdieping (dutiyajjhana).  

3e Meditatieve verdieping (tatiyajjhana).  

4e Meditatieve verdieping (catutthajjhana).  

 

(De waarheden zes, zeven en acht vormen samen de groep van concentratie. Pali: Samadhikkhandha) 

Meditatieve verdieping Jhanas 

De Jhananas, de factoren hoe die noodzakelijk zijn om een diepere meditatie te bereiken en hun tegenhangers, de 5 hindernissen: de pañca (=5) nivarana. De jhana, concentratie, bestaat op verschillende niveaus of lagen. Je kunt a.h.w. meer of minder geconcentreerd zijn. In de diepste concentratie: samadhi (hoogste jhana) ontstaan dan abhiñña, de bovenwereldse vormen van kennis, ook weer in verschillende vormen of op verschillende manieren. Door de bestudering van deze onderdelen is het mogelijk om beter te plaatsen wat er tijdens een meditatie gebeurt of om herkenning te vinden in wat er is.     

Jhananga betekent letterlijk:  de Jhana-factoren (angus=arm, lid): de factoren die nodig zijn om de meditatieve verdiepingen (jhana’s) te verwerven: 

 1) aanvangende gedachten of gedachteconceptie (vitakka);  

 2) redenerend denken of aanhoudende gedachten (vicara);  

 3) vreugde (piti);  

 4) geluk (sukha);  

 5) Eenpuntige gerichtheid (ekaggata).   

Om de jhana’s oftewel de meditatieve verdiepingen te verwezenlijken, moeten echter eerst de vijf hindernissen (pañca nivarana) worden opgeruimd. Dat gebeurt door deze vijf psychische factoren als hierboven genoemd, de tegenhangers van de vijf hindernissen, te ontwikkelen. Dit zijn de factoren die de mediteerde van een lager naar een hoger niveau van mentale zuivering voeren. Het bewustzijn dat hiermee gepaard gaat staat bekend als jhana ( of ‘dhyana’ genoemd) en is dus een meditatieve staat in algemene zin.   

De jhana-factoren zullen stap voor stap de vijf hindernissen die de weg van concentratie blokkeren, opruimen. Zo wordt het zinnelijk (zintuiglijk) verlangen gereduceerd door: eenpuntige gerichtheid (ekaggata) — kwade wil (woede, boosheid) door: vreugde (piti) — luihuid en traagheid door: gedachteconceptie (of aanvangende gedachten) (vitakka) — rusteloosheid en bezorgdheid door: geluk (sukha) — en twijfel wordt teruggedrongen door: redenerend denken (of aanhoudende gedachten) (vicara).  

In het lichaam kun je deze hindernissen herkennen tijdens de begin- of aanvangsconcentratie. Door de concentratie op bijvoorbeeld de dharani`s van Bodhipat leer je de geest te richten, waardoor het zintuiglijk-bewustzijn wordt omgezet in eenpuntige gerichtheid op de dharani. Als vervolgens (het verloop van het oplossen van de hindernissen is overlappend) de onderhuidse spanningen (woede, kwaadheid e.d.) oplossen in de eenpuntige geest, vervalt de kwade wil, doordat we ons positief richten. We ontspannen waarachtig. Hierdoor ontwikkeld zich weer vreugde, het besef dat we loslaten is eigenlijk altijd een vorm van vreugde. Het energieke geconcentreerd zijn, door het loslaten van luiheid en traagheid, zonder a.h.w. in slaap te vallen, bereiken we door de aanvangende gedachte, laten we het de positieve affirmatie noemen. De rusteloze en bezorgde geest (ons denken) brengen we tot rust en zorgeloosheid door het gelukkig zijn. De geestelijke helderheid om positief te denken leidt tot wat we geluk noemen.  

Door nu mentaal de kracht te hebben om “te zijn bij wat er opkomt”, overwinnen we twijfel. Twijfel is eigenlijk de geest die zich alles steeds blijft afvragen, plannen, regelen, ons “boodschappenlijstje maken” We kunnen leren de gedachte niet weg te duwen, maar de gedachte te bezien in relatie met de bron van het opkomen van die gedachte.  

We denken vrijwel altijd tijdens het begin, het midden en het einde van de meditatie. Denk helder, en het denken komt tot rust.  

Een Nederlands woord voor jhana is misschien diepgang, maar om jhana te bereiken moeten in ieder geval de tegenoverliggende hindernissen teniet worden gedaan. Jhana is niet een plaats of een trance maar een bepaalde, morele, staat, een soort religieuze “verbonden zijn” ervaring.  

 

Vanuit de jhana’s namelijk kan de meditator mediteren op de drie karakters van het bestaan: vergankelijkheid (aniccata), lijden (dukkha) en geen-zelf (anatta) en verwerft hij Arahatschap (de staten van verlichting). Na het verwerven van Arahatschap leeft hij bevrijd, onafhankelijk (anissito) van begeerte (tanha) en verkeerde kijk (ditthi) voort, hij klampt zich nergens in de wereld aan vast en denkt daarom ook niet abusievelijk in termen van ‘mijn’, ‘mij’ of ‘ik’, noch van een persoonlijke goddelijke schepper, noch van de wereld.  

 

Het uiteindelijke doel van anapana sati, is om eerst de jhana’s te bereiken, te verwerven, en dan de vier bovenwereldse Paden en Vruchten (de vier graden van heiligheid met de daaruit voortkomende vruchten of zegeningen). Dat is waarom in het begin van de Satipathana Sutta door de Boeddha werd gezegd: “Dit is de enige weg, monniken, voor de zuivering van wezens, voor het overwinnen van verdriet en weeklagen, voor de vernietiging van lijden en smart, om het juiste pad te bereiken, voor de verwezenlijking van Nibbana, namelijk, de Vier Fundamenten van Indachtigheid.”  

 

Anapanasati is een zeer vaak beoefende vorm van meditatie in het Boeddhisme, die verwijst naar het mediteren op de ademhaling, of het aandachtig beschouwen van de in- en uitademing. Anapanasati is een woord van de taal Pali. 

 

Jhāna (Pali) verwijst in het Theravada boeddhisme naar de acht meditatiestadia die frequent door Gautama Boeddha onderwezen werden en waar veel vermeldingen naar worden gemaakt in het Pali Canon. In het Pali is het woord jhāna afgeleid van jhayati, wat denken of mediteren betekent. De jhanas zijn de hoogste vorm van samadhi (Pali voor mentale concentratie). 

 

Nirwana of Nibbana is een belangrijk begrip in het boeddhisme en verwijst naar de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt. Het betekent letterlijk: uitgeblust, uitgedoofd, uitgegaan, niet meer branden, ondergegaan (als de zon), gekalmeerd, ondergedompeld, onbeweeglijk… Het uitgedoofd zijn verwijst naar het einde van begeerte, aversie en verwarring, wat het hoofddoel van het boeddhisme is. 

 

 

 

Mentale factoren: 

  • De vijf hindernissen (pañca nivarana).  
  • De vijf aggregaten van hechten (pañca upadana kkhandha).  
  • De zes innerlijke en zes uiterlijke zintuigsferen (salayatana).  
  • De zeven factoren van verlichting (bojjhanga).  
  • De vier edele waarheden (cattari ariya sacca).  

De vijf hindernissen: Zintuiglijke verlangens (kamacchanda) 

Zintuiglijke verlangens nemen de belangrijkste positie in betreffende de geestelijke slaap. Zintuiglijke verlangens, zinnelijke verlangens, begeerte, hartstocht, dorst, snakken, hunkeren.  Dit zijn verschillende uitdrukkingen die allemaal hetzelfde vuur uitdrukken: het vuur van hartstocht, de zintuiglijke hartstochten die steeds op jacht zijn naar bevrediging. We hebben zes zintuigen: de ogen, de oren, de neus, de tong, het voelen en niet te vergeten, het denken. De hindernis van zintuiglijk verlangen houdt ook de honger naar hartstochten als afgunst, jaloezie, bezitsdrang, trots, arrogantie en verwaandheid in.  

De aanwezigheid van zintuiglijke verlangens zorgt voortdurend voor problemen, conflicten, voor strijd, omdat mensen ze voortdurend trachten te bevredigen, dan weer hier, dan weer daar. Door deze intense hunkering ontstaat groot lijden, verdriet en frustratie omdat het geen dat verkregen is ooit weer eens voorbij moet gaan vanwege de onbestendigheid die het leven eigen is. Bovendien impliceert hartstocht ook afkeer; je kunt je moeilijk openstellen voor iets dat de zintuigen niet streelt. Zo blijf je onwetend van het onbekende en kan de realiteit weleens anders zijn dan je denkt dat die is. Hartstocht vernauwt en beperkt de geest en daarom zullen er voortdurend conflicten zijn. 

Zintuiglijke verlangens worden ingevuld door persoonlijke voorkeuren. Het werk van “ik”.Als je kijkt, luistert etc. met verwachtingen, met verlangens, dan zul je niet helder kunnen begrijpen wat er zich werkelijk voordoet. Dan begrijp je dingen heel anders. Voldoet wat je ziet niet aan je verwachtingen, dan raak je teleurgesteld of depressief. Wanneer onze zintuigen dingen ontmoeten die onze persoonlijke voorkeur niet hebben, dan krijgen we er een onaangenaam gevoel bij. Wanneer ze onze voorkeur wel hebben, ontstaat er een aangenaam gevoel. Zijn we zonder voor en tegen, dan zal er een neutraal gevoel zijn of gelijkmoedigheid. 

Het voortdurend jacht maken op zintuiglijke pleziertjes lijkt op iemand die zijn dorst probeert te lessen met zeewater. Hij blijft maar door drinken maar zijn dorst zal nooit worden gelest; integendeel, de dorst wordt alleen maar groter. En net zo komt er aan begeerte geen einde. Menselijke hartstochten zijn onverzadigbaar! 

Zintuiglijke verlangens willen steeds ergens naar toe waardoor de les van het leven steeds wordt gemist, ze willen steeds ergens omheen in plaats van er doorheen. Het is de meest ernstige barricade om dingen echt goed te kunnen begrijpen. Onbegrip houdt alle vormen van deugdzaamheid tegen, terwijl een diep begrip de ontwaking is tot realiteit. Zintuiglijke hartstochten houden je in diepe onwetendheid, in een diepe geestelijke slaap, daarom zei de Boeddha: ” Tanhaya mulam kanatha “, (graaf de wortel van begeerte op). Het vuur van zintuiglijke begeerte zal net zolang blijven branden totdat je de holheid van dingen diep in je hart realiseert. In wijsheid kijk je net zo makkelijk door alle dingen heen zoals een scherpe pijl door een zeepbel schiet. Als het vuur van hartstocht dooft, dooft daarmee de jacht naar zintuiglijke genoegens omdat je pas dan de nutteloosheid ervan zult inzien. 

Kwade wil (vyapada) 

Kwade wil is een andere hindernis om geestelijk te groeien. Kwade wil valt onder de categorie “haat” want ook een lichte vorm van kwade wil kan uitlopen tot zuivere haat of boosaardigheid. Een klein vuurtje kan uitlopen tot een grote bosbrand. Kwade wil is een ernstige barrière om geestelijk goed te functioneren want het is de tegenstelling van goede wil, vriendelijkheid, bescheidenheid, welwillendheid, mededogen etc. Kwade wil werkt verdeeldheid in de hand, zowel in de zin van je eigen geestestoestand als met betrekking tot anderen. Het werkt een kalme en evenwichtige geestestoestand ernstig tegen en daarom is kwade wil een belemmering voor de groei van wijsheid. Kwade wil vervormt je visie en verhindert de geest de waarheid in welke situatie dan ook te ontdekken zodat er van begrip geen sprake is. Begrip is sterk afhankelijk van de beheersing van je geest, die vrij van boosheid en opwinding moet zijn. Het wordt tegengegaan door je te oefenen in liefdevolle vriendelijkheid en mededogen waardoor de geest rustig en buigzaam wordt. Het zijn onmisbare aspecten in de training tot volledige ontwaking.  

Luiheid en traagheid van geest (thina-middha) 

Luiheid en traagheid houden verband met starheid van geest, depressie en indolentie. Wanneer de geest star en willoos wordt, is het heel moeilijk helderheid van geest te verkrijgen. Het kan je erg ontmoedigen waardoor je overal tegenop gaat zien. Wie lui van geest is en niet verstandig nadenkt over de essentiële dingen van het leven, zal nooit een juiste kijk op bepaalde zaken krijgen. Iemand die op die manier onnadenkend door het leven gaat, moet geen geluk verwachten.Door zintuiglijke verlangens denken mensen aan dingen waar ze niet aan zouden moeten denken, dus wordt er niet nagedacht waar men wel over na zou moeten denken. Luiheid of traagheid van geest, verzwakken de aandacht en het vermogen tot nadenken. Deze geestelijke verdoving of slaperigheid, leidt tot dagdromen. 

Rusteloosheid en zorgelijkheid (uddhacca-kukkucca) 

Rusteloosheid en zorgelijkheid verontrusten de geest en werken de ontwikkeling van kalmte en inzicht tegen. Een rusteloze geest neigt ertoe zich zorgen te maken en deze vicieuze cirkel kan alleen doorbroken worden door de aanwezigheid van de hindernis te onderkennen, deze opmerkzaam te observeren en na te denken over het geringe belang daarmee door te gaan. Rusteloosheid en zorgelijkheid nemen bezit van je geest wanneer de gemoedsrust verdwenen is. De remedie is om te leren je niet druk te maken, want het is weggegooide tijd voor wat betreft de geestelijke ontwikkeling. Het beste antwoord is, te bedenken hoe je de zaak weer in het reine kunt brengen. Door je druk te maken over iets, zal je rusteloosheid juist alleen maar uitbereiden. Enerzijds doordat je er zelf voor kiest die weg te begaan. Anderzijds word je onrustiger omdat moeilijke situaties niet oplossen door je druk te maken. 

Met het zorgvuldig verwijderen van de hindernis kun je de aandacht weer bepalen tot het onderwerp zodat kostbare energie niet onnodig wegvloeit. Succes op welk gebied van het leven dan ook komt nooit door getob, maar door op te letten wat je wel en wat je niet moet doen. 

De vijf aggregaten van hechten (pañca upadana kkhandha). 

  1. Rupa: vorm, stoffelijkheid, hoedanigheid (bv. ons lichaam). Er zijn zes soorten rupa’s, elk in overeenstemming met een overeenkomstig zintuig. Deze omvatten vijf soorten materiële voorwerpen, (dwz. de gewone zintuigen: oog, oor, neus, tong en gevoelsreceptoren), de innerlijke reacties die zij voortbrengen (gezicht, geluid, geur, smaak en gevoel) en hun mentale tegenhangers (gedachtevormen, maar niet hun emotionele of informatie-inhoud). De Boeddha rekende ook het denkvermogen, in zijn relatie tot mentale voorwerpen, nog gewoon tot een zintuigorgaan, waardoor er in totaal zes zijn. Rupa omvat alle fysieke en supra fysieke (het lichaam dat niet sterft) materie, en dus ook alle energie vanwege de gelijkwaardigheid van massa en energie die in de moderne fysica bekend is in zijn objectieve aspect van vorm of voertuig, hoe subtiel ook. Aldus omvat rupa onze fysieke lichamen en zintuigen en onze subjectieve zintuiglijke ervaringen, alsook, in theosofische termen, gedachtevormen, de effecten van emotie in onze aura, en onze ijlere lichamen zoals het astraal.
  2. Vedana: gevoelens of sensaties, fysiek, emotioneel en mentaal (bijvoorbeeld onze pijn). Zij zijn van drie typen: prettig, onprettig of neutraal, die ervaren worden als aangename, pijnlijke of neutrale sensaties, emoties en gedachten. Vedana is de onmiddellijk geconditioneerde respons op stimuli. Deze groep omvat niet de emoties of gedachten op zichzelf die voortkomen uit deze gevoelens.
  3. Sanna (Skt. samjña): percepties, abstracties (bijvoorbeeld de kleur blauw, een driehoek, een ronde vorm, de smaak van honing, enz.). Het proces van sanna integreert ruwe zintuiglijke gegevens tot herkenbare discrete entiteiten en behoeft derhalve de functie van het geheugen. Het neemt bijvoorbeeld een voorwerp waar als een appel, op basis van een uniek stel eigenschappen zoals de kleur, rondheid, gladheid, smaak en archetypisch beeld.
  4. Sankhara (Skt. Samskara): mentale formaties (wilsactiviteiten) of ideatie (het maken van beelden of ideeën). In het klassieke Boeddhisme zijn er 52 van deze mentale formaties, waaronder mededogen, liefde, haat, aandacht, wil, vastbeslotenheid, vertrouwen, concentratie, idealen, stemmingen, wijsheid, samadhi, onwetendheid, verwaandheid, ideeën over het zelf, gehechtheid, aversie enz. Sankhara schept karma; de wil is het sleutelwoord ervan. De andere skandha’s worden beïnvloed door karma maar produceren dit niet. De Boeddha sprak: ‘o monniken, het is de wil die ik karma noem. Als men eenmaal iets wil, handelt men door middel van lichaam, spraak en denkvermogen’ Aldus betreft sankhara de wil, de intentie en de keuze; het is het machtsaspect of de kracht achter de gedachte en vandaar: handeling.
  5. Vinnana (Skt. Vijñana): bewustzijn of het zich bewust worden van voorwerpen, fysieke of subtiele (bijvoorbeeld ons bewustzijn van geluid, vorm, kleur, geur, smaak, structuur, emotie en gedachte). Net als bij elk van de skandha’s wordt bewustzijn geassocieerd met het oog, het oor, de neus, de tong, het lichaam en het denkvermogen.

      De zes innerlijke en zes uiterlijke zintuigsferen (salayatana).  

Het oog en materiële vormen 

Hierin, monniken, begrijpt een monnik het oog en materiële vormen en de band die afhankelijk van beide (het oog en vormen) ontstaat. Hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de al opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen.”   

Het oor en het geluid.  

Hij begrijpt het oor en geluiden en de band die afhankelijk van beide (het oor en het geluid) ontstaat.hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de reeds opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen.”  

De neus en de geur.  

Hij begrijpt de neus en geuren en de band die afhankelijk van beide (de neus en geuren) ontstaat. Hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de reeds opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen.”  

De tong en de smaak.  

Hij begrijpt de tong en smaken en de band die afhankelijk van beide (de tong en smaken) ontstaat. Hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de reeds opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen. 

Het lichaam en tastbare dingen. 

 Hij begrijpt het lichaam en tastbare dingen en de band die afhankelijk van beide (het lichaam en tastbare dingen) ontstaat. Hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de reeds opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen.”  

De geest en mentale objecten.  

Hij begrijpt de geest en mentale objecten en de band die afhankelijk van beide (de geest en mentale objecten) ontstaat. Hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de reeds opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen.”  

De zeven factoren van verlichting (bojjhanga).  

  1. sati:

Een persoon die naar verlichting streeft, is waakzaam ten opzichte van al zijn gedachten en alle activiteiten van het lichaam. Zulk een waakzaamheid wordt hier sati genoemd. Indachtigheid is het essentiële startpunt voor iedere poging tot meditatie. 

  1. dhammavicaya:

Met zulk een waakzaamheid kan hij goed en verkeerd onderscheiden, en hij onderzoekt dat met wijsheid. Zulk een kritisch onderzoek noemt men dhammavicaya. Deze factor van verlichting, verbonden met wijsheid, ontwikkelt zich in een persoon die naar verlichting streeft. 

  1. viriya:

De inspanning van zulk een persoon om het goede (dhamma) te cultiveren en het slechte (adhamma) te laten, wordt hier viriya genoemd. Energie moet met grote vastberadenheid gericht worden op het uitwerken en vervullen van het doel. De viriya sambojjhanga ontwikkelt zich in een persoon die aldus streeft. 

  1. piti:

De vreugde die in iemands geest ontstaat door het doen en het ontwikkelen van het goede (dhamma) wordt piti sambojjhanga genoemd. Vreugde betekent sereen vermaak, met gelukzalig enthousiasme van de geest. 

  1. passaddhi:

Door vermijding van zintuiglijke begeerten ontwikkelt zich vreugde en geluk. De kalmte die daardoor in de geest en in het lichaam ontstaat wordt passaddhi genoemd. Aldus ontwikkelt de passaddhi sambojjhanga zich in een persoon die deze procedure volgt. 

  1. samadhi:

Gebaseerd op deze kalmte kan de geest zich concentreren op een goed (kusala) object. Deze toestand van de geest wordt samadhi sambojjhanga genoemd. 

  1. upekkha:

Met de ontwikkeling van concentratie realiseert men zich de nutteloosheid van sensaties en ontwikkelt men een gevoel van gelijkmoedigheid (upekkha), waarin men noch door geluk noch door verdriet getroffen wordt. Dit wordt upekkha sambojjhanga genoemd. Gelijkmoedigheid is de laatste essentiële factor van verlichting. Hiermee is men niet alleen kalm, maar staat de geest, hoewel nog steeds ontvankelijk en alert, los van iedere gebeurtenis of invloed van buiten of van binnen uit. 

 

Boeddha beschreef het Achtvoudig Pad als volgt: 

Dit, monniken, is de Edele Waarheid van het Pad dat leidt naar de Opheffing van Lijden: Het is eenvoudigweg het Edele Achtvoudige Pad, namelijk:  

 

        1 juist begrip (pali: samma ditthi)  

  1. Begrijpen wat lijden is (dukkhe ñana).  
  1. De oorzaak van lijden begrijpen (dukkhasamudaye ñana).  
  1. De opheffing van lijden begrijpen (dukkhanirodhe ñana).  
  1. Het pad begrijpen dat leidt naar de opheffing van lijden (dukkhanirodhagamini patipadaya ñana).  

2 juiste gedachten / juiste intenties (pali: samma sankappa)  

  1. Gedachten van het verzaken van zelfzucht (nekkhamma sankappa).  
  1. Gedachten van welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid (avyapada sankappa).  
  1. Gedachten van geweldloosheid, harmonie of mededogen (avihimsa sankappa).  

(Deze eerste twee waarheden vormen samen de groep van wijsheid. Pali: paññakkhandha)  

 

3 juist spreken (pali: samma vaca).  

  1. Onthouding van het vertellen van leugens (musavada veramani).  
  1. Onthouding van het spreken van lasterende taal (pisunaya vacaya veramani).  
  1. Onthouding van het spreken van harde woorden (pharusaya vacaya veramani).  
  1. Onthouding van onzinnig gepraat (samphappalapa veramani).  

4 juist handelen (pali: samma kammanta)  

  1. Onthouding van doden (panatipata veramani).  
  1. Onthouding van nemen wat niet gegeven is (adinnadana veramani).  
  1. Onthouding van seksueel wangedrag (kamesu micchacara veramani)  

5 juiste wijze van levensonderhoud (pali: samma ajiva)  

  1. Geen handel in wapens.  
  1. Geen handel in slaven en prostitutie.  
  1. Geen handel in levende wezens voor vleesproductie en slachterij of iedere andere handel in wezens.  
  1. Geen handel in vergif.  
  1. Geen handel in bedwelmende middelen.  

 

(De waarheden drie, vier en vijf vormen samen de groep van moraliteit. Pali: Silakkhandha)  

6 juiste inspanning (pali: samma vayama)  

  1. Slechte gedachten en heilloze (akusala) zaken die nog niet opgekomen zijn vermijden (samvara padhana).  
  1. Het overwinnen van slechte gedachten en heilloze zaken die reeds opgekomen zijn (pahana padhana). 
  1. Het opwekken en ontwikkelen van heilzame (kusala) zaken en goede gedachten die nog niet opgekomen zijn (bhavana padhana).  
  1. Het tot groei brengen van heilzame zaken en goede gedachten die reeds opgekomen zijn (anurakkana padhana).  

7 juiste indachtigheid (aandacht, bewustzijn, concentratie, pali: samma sati)  

  1. Bewustzijn van het lichaam (kaya nupassana).  
  1. Bewustzijn van gevoelens (vedana nupassana).  
  1. Bewustzijn van de geest (citta nupassana).  
  1. Bewustzijn van mentale objecten (dhamma nupassana) namelijk:  
  • De vijf hindernissen (pañca nivarana).  
  • De vijf aggregaten van hechten (pañca upadana kkhandha).  
  • De zes innerlijke en zes uiterlijke zintuigsferen (salayatana).  
  • De zeven factoren van verlichting (bojjhanga).  
  • De vier edele waarheden (cattari ariya sacca).  

8 juiste concentratie (pali: samma samadhi)  

1e Meditatieve verdieping (pathamajjhana).  

2e Meditatieve verdieping (dutiyajjhana).  

3e Meditatieve verdieping (tatiyajjhana).  

4e Meditatieve verdieping (catutthajjhana).  

 

(De waarheden zes, zeven en acht vormen samen de groep van concentratie. Pali: Samadhikkhandha) 

De Paramita’s 

 De zes volmaakheden:  

  1. Het volmaakte schenken. (dana) 
  1. De volmaakte morele discipline. (sila) 
  1. Het volmaakte geduld. (ksanti) 
  1. DE volmaakte volharding. (virya) 
  1. De volmaakte meditatie. (dhyana) 
  1. De volmaaktheid van wijsheid. (prajna)  

Het beoefenen van de deugden is voor een volgeling van het mahayana de hoogste vorm van uitmuntendheid. Bodhisattva ideaal 

Met zijn gezuiverde geest kan hij elke deugd verheffen tot de hoogste graad van volmaaktheid. paramita 

De zes volmaaktheden zijn niet gewoon goede daden. 

De volmaakte handelingen van de bodhisattva zijn verlicht door het juiste inzicht dat voortvloeit uit zijn volmaakte wijsheid.prajna 

Hij die zijn geest zodanig gevormd heeft dat er geen bezoedelingen meer ontstaan,staat niet stil bij het schenken,noch bij het ontvangen, noch bij het geschonken voorwerp. 

En al helemaal niet bij het schenkende Ík”.

 

Mahayana-boeddhisme dat zoveel betekent als het boeddhisme van het ‘grote voertuig’. In het mahayana gat men ervan uit dat de verlichting mogelijk wordt door geloof en devotie en dus bereikbaar is voor iedereen, ook voor leken. Vandaar het beeld van een ‘groot voertuig; en de ietwat smalende naam hinayana of ‘klein voertuig’ voor het therevada.  

 

 

 

De paramita’s 

Leven voor het welzijn van de mensheid is de eerste stap. De zes verheven deugden in praktijk brengen is de tweede.         
De zes verheven deugden zijn de paramita’s. Van de neofiet wordt verlangd dat hij deze zich eigen maakt terwijl hij het pad betreedt dat naar de hoogste inwijdingservaring leidt. HPB maakt gebruik van de mahayana-boeddhistische terminologie wanneer ze in haar Stem deze ‘transcendentale deugden’ of ‘volmaaktheden’ presenteert als de ‘gouden sleutels’ die de poorten van het meesterschap doen opengaan. In de boeddhistische teksten van zowel de Noordelijke als de Zuidelijke School wisselt het aantal, de volgorde, en soms ook de opgenomen selectie van deze ‘deugden’. De woorden die voor de ene of de andere ‘deugd’ zijn gekozen, hun aantal, of hun volgorde zijn van ondergeschikt belang; waar het om gaat is trouw aan de poging om de beperkingen van het alledaagse zelf te overstijgen.
Wat zijn deze paramita’s? Van de zeven die in de Stem worden vermeld, is de eerste dana, ‘geven’, begaan zijn met anderen, altruïstisch zijn in ons denken, spreken en handelen. De tweede is sila, ‘ethiek’, het moreel hoogstaande gedrag dat van een serieuze leerling wordt verwacht; de derde, kshanti, ‘geduld’, uithoudingsvermogen, verdraagzaamheid, is het welwillende inzicht dat de tekortkomingen van anderen niet groter zijn, en misschien minder ernstig, dan die van onszelf.
Wat betreft de vierde paramita, viraga, ‘gelijkmoedigheid’, het niet gehecht zijn aan de gevolgen die de wisselvalligheden van het leven voor ons hebben: wat vinden we dit moeilijk en, toch, als we in ons diepste zelf het bodhisattva-ideaal koesteren, betekent het beoefenen van viraga nooit dat we toelaten dat we onverschillig staan tegenover de moeilijkheden van anderen. Veeleer vereist ze een wijze toepassing van mededogen. Het is interessant dat voor zover we weten deze paramita in de gebruikelijke opsommingen in het Sanskriet of Pali niet wordt gegeven. Dat viraga in de Stem is opgenomen is van betekenis, want de vierde positie staat centraal, halverwege de reeks van zeven. We worden hier herinnerd aan de zeven stadia van de inwijdingscyclus, waarvan de eerste drie voorbereidend zijn en voornamelijk bestaan uit instructie en innerlijke discipline.(1) In de vierde inwijding moet de neofiet dat waarover hij heeft geleerd worden, dat wil zeggen hij moet zich vereenzelvigen met de innerlijke gebieden van hemzelf en van de natuur. Als hij succes heeft, mag hij de drie hogere graden proberen die ertoe leiden dat hij moet verdragen dat de innerlijke god bezit neemt van zijn menszijn.
Om onder alle omstandigheden gelijkmoedig te blijven, in vreugde en in pijn, bij succes en mislukking, betekent dat we de kalmte van een muni, een ‘wijze’, hebben bereikt; het betekent dat we ons volledig vereenzelvigen met de waarheid dat, terwijl alles wat is geboren het zaad van verval in zich draagt, het inwonende wonder, de onvergankelijke geest – zoals in de Bhagavad-Gita zo prachtig wordt bezongen – onsterfelijk is, en door de paren van tegengestelden niet in beroering wordt gebracht. Het lijkt voor ons misschien nogal veraf om de status van een wijze te verkrijgen; als we het beoefenen van viraga echter een eerlijke kans geven, wat geeft dit ons dan een bevrijding van de last van spanning die we onszelf – en, helaas, ook anderen – onnodig opleggen.
De vijfde paramita is virya, ‘kracht’, moed, vastberadenheid; de wil en energie om standvastig trouw te blijven aan wat waar is, en met evenveel kracht tegenstand te bieden aan wat onjuist is. Iemand die virya meester is, is onvermoeibaar in zijn denken en handelen. 

Met de zesde, dhyana, ‘meditatie’, diepe contemplatie, het zich leegmaken van alles wat minder is dan het hoogste, vindt een natuurlijk ontwaken van latente krachten plaats, wat uiteindelijk culmineert in eenheid met de essentie van het Zijn.
Tenslotte de zevende, prajña, ‘verlichting, wijsheid’ – ‘de sleutel hiervan maakt van de mens een god, een bodhisattva, een zoon van de dhyani’s’. Wij zullen ‘van een sterveling een god’ zijn geworden, zoals de orfische kandidaat dit heilige moment van de zevende inwijding beschrijft, wanneer transcendentie en immanentie één worden.
Volledige beheersing van de paramita’s, hoe ze ook worden opgesomd, is vanzelfsprekend een langdurig proces, maar toegewijde beoefening ervan brengt direct voordeel zonder het risico van kortsluiting in de psyche. Alleen al het besluit om ermee te beginnen heeft een transformerend effect op onze houding en zienswijze, en ook op onze verhouding met anderen. Als we ons alledaagse zelf konden beoordelen vanuit de gunstige positie van ons wijzere zelf, dan zouden we beseffen dat er voortdurend een subtiel, innerlijk ontwaken aan de gang is; te subtiel voor ons om het te kunnen registreren, maar cumulatief in zijn effect op ons huidige en toekomstige karma. We hoeven niet geestelijk ‘gevorderd’ te zijn vóór we bewust de dagelijkse keuzen kunnen maken die het verschil uitmaken tussen het bodhisattvapad en het pratyekapad. Als we trouw proberen deze paramita’s in het leven in praktijk te brengen, komen we niet alleen dichterbij het verwerkelijken van de universele broederschap waar we allemaal naar verlangen, maar we zullen de weg gaan van de Meedogenden.
We moeten dagelijks de paramita’s ontwikkelen en de zaailingen van altruïsme begieten met de regen van mededogen, ondanks de karmische belemmeringen in de natuur die naar traagheid neigen. Tsong-kha-pa, de wijze van Tibet, dacht dat het eerbiedig in praktijk brengen van mededogen ‘de meest voortreffelijke oorzaak is voor het boeddhaschap, omdat het van nature een grondige bescherming biedt voor alle kwetsbare levende wezens die vastzitten in de gevangenis van het cyclische bestaan’.(2) Dit is amritayana of het ‘pad van onsterfelijkheid’ in de zuivere betekenis ervan. Wanneer uiteindelijk een discipel wordt geboren in ‘het geslacht van de Tathagata’s’, ervaart hij een alles overtreffende vreugde – en toch ook onmetelijk verdriet vanwege de geestelijke traagheid van zo’n groot deel van de mensheid.
Deze tijd gaat gebukt onder het karma dat we met z’n allen hebben gezaaid; maar ook de zaden van creatieve welwillendheid die vele levens lang zijn gevoed, moeten we niet vergeten. Als dat een lange periode lijkt om tot rijping te komen, moeten we bedenken dat prins Siddhartha niet zomaar ineens boeddha werd: al ‘vier onmetelijke perioden geleden’ deed hij de gelofte een bodhisattva te worden om het treurige lot van de mensheid te verlichten. Onnoemelijke levens achtereen verzorgde hij de plant van mededogen totdat deze tenslotte tot ‘volle wasdom’ kwam in zijn meest recente leven toen hij te Kapilavastu in India werd geboren.
Laten we een sprong terug maken in het verre, verre verleden – naar het ‘moment’ in de eeuwigheid toen Gautama de eerste impuls van liefde voor de hele mensheid voelde en vóór zich zag wat werkelijkheid zou kunnen en zou moeten worden, niet louter voor hemzelf, maar voor alle levende wezens. Toen werd het zaad van bodhisattvaschap tot leven gebracht en, toen de zaadhuid openbarstte, groeide daaruit een klein worteltje in de maagdelijke bodem van zijn ontwakend bewustzijn. Hij nam een ernstig besluit om wijs en grootmoedig te worden. Terwijl hij zijn visie ver in de toekomst projecteerde, nam hij zich onwrikbaar voor een ‘vlot van de dharma’ te bouwen, opdat hij talloze miljoenen wezens over de oceaan van illusie en pijn naar de andere oever van vrijheid en licht zou kunnen brengen.
Ver terug in de tijd was de historische Boeddha een gewoon mens, die weliswaar naar het hogere streefde maar ook, zoals wijzelf, zwakheden in zijn karakter had en karmische belemmeringen uit eerdere levens die nog niet waren weggenomen. We mogen aannemen dat hij zo nu en dan is gestruikeld en dan het verloren terrein moest terugwinnen, en ook dat degenen die in enig leven banden met hem hadden gemengde karmische invloeden van zowel zijn beoordelingsfouten als zijn zelfoverwinningen hebben ontvangen. Het is geen alledaagse zaak om tegen de algemene stroom in te gaan, maar omdat zijn motief onbaatzuchtig was, diende zijn vastberadenheid als een stabiliserende invloed – leven na leven was het bodhisattva-ideaal zijn inspiratie en gids. Ongetwijfeld zal zijn uiteindelijke triomf en zelfverloochening al degenen van wie hij het karma tijdens zijn lange wordingsproces van gewoon mens tot boeddha had beïnvloed, een drievoudige zegen hebben gebracht.
Iedere levensvonk is een bodhisattva, een christos, een god in wording. De Chinese Hui-neng, de nederige tempeldienaar, begreep dit, en toen zijn innerlijk oog ontwaakte en hij een ch’an-boeddhistische meester werd, verwoordde hij het zo: 

Wanneer ze niet verlicht zijn, zijn boeddha’s niet anders dan gewone mensen; als er verlichting optreedt, veranderen gewone mensen ogenblikkelijk in boeddha’s.(3) 

Dezelfde mogelijkheid staat ook voor ons open: om nu te beginnen de zaden van liefde en zorg te zaaien, ondanks de trekken van zelfzucht en opstandigheid die ons karakter ontsieren. Volledige verlichting bereiken we misschien pas na vele eeuwen in de toekomst, en hoewel ook wij op het laatste moment van onze bestemming de allerhoogste keuze moeten maken, zal deze zijn voorbereid gedurende de hele tijd dat we ons op het pad hebben begeven. Ieder moment van ons leven bouwen we in ons karakter òf het egocentrische op dat uiteindelijk tot het pratyekaschap leidt, òf de grootmoedigheid van geest die ons ertoe zal bewegen de eerste stap op het bodhisattvapad te zetten. Beide paden bevinden zich aan de lichtzijde van de natuur, maar er is niettemin een duidelijk onderscheid: zoals in de boeddhistische geschriften staat vermeld, wordt de pratyeka vergeleken met ‘het licht van de maan’; de Tathagata daarentegen ‘lijkt op de duizendstralige zonneschijf in de herfst’.(4)
Ieder levend wezen is de vrucht van een voortdurende stroom vanuit een goddelijk zaad, die geen begin en geen einde heeft, want binnenin de zaad-essentie bevindt zich de belofte van wat zal zijn: een immense kracht, inert tot het mystieke ogenblik waarop de levenskracht plotseling naar buiten treedt en bloemen en vruchten voortbrengt. Als een zaad eenmaal in een geschikte omgeving is gezaaid, wordt het door de natuurelementen aarde, water, lucht en vuur beschermd en in zijn groei gestimuleerd. Zo is het ook met onszelf: de gedachtezaden die we dag en nacht zaaien worden geholpen door de onzichtbare tegenhangers van deze elementen en laten indrukken achter op de subtiele energieën die door onze planeet stromen. Omdat we één mensheid vormen, hoe afgescheiden we ons soms ook voelen, delen we met alle anderen wat we zijn, zowel in onze edelste als in onze minder goede aspecten. Wat een verantwoordelijkheid hebben wij, maar ook wat een prachtige kans. Zoals we gevoelig zijn voor de onderste lagen van de gedachtekrachten als we moedeloos zijn, evenzo kunnen we meetrillen met de bovenste regionen van de aurische atmosfeer van de aarde en misschien horen we, als we stil zijn, de subtiele fluisteringen die ons inspireren tot verwondering en edele daden.
Velen laten tegenwoordig in hun toegewijde arbeid om het lijden van miljoenen te verlichten een kwaliteit van barmhartigheid zien die wellicht in een vroeger leven is aangewakkerd door een gebaar van vriendschap en begrip van een bodhisattva inspe. Misschien zijn ook wij ooit op dezelfde manier in beweging gekomen. Deze gedachte wekt diepe nederigheid en maakt de mens meer vastberaden om het voorbeeld van de Verlichten te volgen die een diep inzicht en een grenzeloos geduld hebben. Het is geen wonder dat een Boeddha van mededogen terugkomt om te onderwijzen. Hij wordt daartoe bewogen door het karma van allen van wie het lot het zijne heeft gekruist in vroegere cycli; meer nog wordt hij gedreven door een liefde die zo alomvattend is dat zij het geheel van alle natuurrijken omvat, een liefde die kracht geeft aan nieuwe aspiranten en aan hen die mogelijk in een toekomstig leven de eerste tekenen van interesse in het welzijn van anderen zullen vertonen.
De boeddhistische geloofsbelijdenis geeft op beknopte wijze uitdrukking aan de essentie van de boeddhistische filosofie en praktijk: 

 

Buddham saranam gacchami
Dharmam saranam gacchami
Sangham saranam gacchami 

Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha
Ik neem mijn toevlucht tot de dharma
Ik neem mijn toevlucht tot de gemeenschap (toegewijden, volgelingen) 

We stellen ons vertrouwen in Boeddha als de belichaming van het ‘Grote Offer’, de hoogste inwijder en beschermer van de mensheid, die het voor avatara’s en bodhisattva’s mogelijk maakt om periodiek de velden van het menselijk bewustzijn te verlichten. 

We stellen ons vertrouwen in de dharma, in de oerwaarheden die ons verlichten wat betreft de universele natuur en de ziel, en door ons daarmee te vereenzelvigen vangen we een glimp op van ons kosmische doel. 

We stellen ons vertrouwen in de sangha, de broederschap of het gezelschap van zoekers, een verbondenheid die de hele menselijke levensgolf omvat. 

Door elkaar als broederaspiranten vertrouwen en loyaliteit te geven, worden we deel van een gezelschap dat ons magnetisch verbindt met het spirituele hart van onze planeet, de Broederschap van Adepten. In zoverre we trouw zijn aan hun doeleinden, zijn we partners in deze universele broederschap die is toegewijd aan het opheffen  

(voor zover het wereldkarma dat toestaat) van de last van leed en ellende en onwetendheid die de gesel van de mensheid is. Als genoeg mannen en vrouwen niet alleen geloven in, maar ook hun intuïties volgen en bewust hun lot verbinden aan de zaak van mededogen, is er alle reden om erop te vertrouwen dat onze beschaving op een dag de sprong zal maken van zelfzucht naar werkelijke broederschap in alles wat de mens onderneemt.
Het is het edelste en mooiste ideaal om in menselijke harten die naar het hogere streven de oude gelofte leven in te blazen om hun lamp aan te steken met de vlam van mededogen; het is een ideaal dat, als het standvastig wordt volgehouden, aan dit streven kracht en diepte geeft. 

Wat is het verschil tussen medelijden en mededogen? 

Medelijden en mededogen zijn twee aspecten die vaak door elkaar worden gehaald. In de boeddhistische filosofie wordt er een duidelijk onderscheid gemaakt. 

 

Een gevoel of een morele factor 

Doorgaans wordt medelijden gelijkgesteld met mededogen. Maar als we een nader onderzoek instellen en we hebben meer kennis van de verscheidene mentale factoren en hoe deze samenwerken met verschillende soorten van bewustzijn, dan zullen we een belangrijk verschil gaan zien tussen deze twee begrippen. Hoewel medelijden zeker het morele aspect van medeleven impliceert, is medelijden een gevoel dat lijden in de geest teweegbrengt; het is geen ideale toestand. Mededogen echter is niet een gevoel, maar is een morele mentale factor, een staat van de geest die ontwikkeld is. Om goed het verschil tussen medelijden en mededogen te begrijpen, is het belangrijk te weten hoe gevoelens ontstaan en hoe het zelfbewustzijn tot ongewenste situaties leidt.  

Gevoelens en zelfbewustzijn 

Afhankelijk van je voorkeur en afkeer, ontstaan er aangename of onaangename gevoelens wanneer je een zintuigobject waarneemt (een beeld, een geluid, etc.). Waarnemen zonder bewustzijn is niet mogelijk. Het gevoel dat ontstaat (dat waargenomen wordt) is dus verbonden met bewustzijn. Het ontstane gevoel heeft een persoonlijke tint.  

Ten eerste dient men te begrijpen dat bewustzijn de weg van het ego volgt. We zijn allemaal bewust, maar wel allemaal op een verschillende manier doordat we bijvoorbeeld persoonlijke opvattingen over dingen hebben. Hoe slechter men de geest onder controle heeft, hoe meer het ego dingen zal kleuren. Er is dan sprake van een egobewustzijn of een zelfbewustzijn.  

De functie van bewustzijn is om dingen te herkennen. Maar wanneer bewustzijn ‘ik gericht’ is, is er een sterk zelfbewustzijn. Daarmee is er tegelijkertijd ook een sterke verdraaiing van de realiteit. Is het bewustzijn zuiver, dus vrij van ideeën, vrij van eerder opgedane ervaringen etc. etc., dan kan het functioneren zoals het hoort. Dit is wat we in het boeddhisme ‘gewaarzijn’ noemen. Gewaarzijn heeft niets te maken met persoonlijkheid maar met ‘de dingen zien zoals ze zijn’. Het allerhoogste niveau van gewaarzijn is het bewustzijn van een arahat. Gezien deze staat voor de meeste mensen nog niet van toepassing is, dienen we terdege rekening te houden met het feit dat de geest over vele trucs beschikt en dat lang niet alles in de zuiverste vorm ervaren wordt. Ook gevoelens niet, hoewel gevoelens weldegelijk een functie hebben.  

Wanneer er een sterk zelfbewustzijn is, functioneert het bewustzijn slechter waardoor in diverse toestanden snel allerlei ‘gekleurde’ gevoelens teweeg gebracht worden. Dit soort bewustzijn (zelfbewustzijn) creëert een wereld, het brengt een toestand teweeg. Het is belangrijk te beseffen dat dit zelfbewustzijn steeds voor moeilijkheden zorgt omdat dit bewustzijn een blokkade vormt voor de ontwikkeling van morele mentale factoren, zoals begrip, oprechtheid, aanpassingsvermogen, gelijkmoedigheid, vaardigheid etc.  

Worden of zijn 

Is het moeilijk om het leed dat je waarneemt in de wereld, erg te vinden? Is het moeilijk om het leed voor jezelf en anderen te doen vermeerderen? Als je je geest niet onder controle hebt, dan zal het leed vanzelf toenemen. Want een ongecontroleerde geest heeft de neiging zich met dingen te identificeren en zich vast te grijpen aan wat hij waarneemt. Hierdoor wordt een proces op gang gezet waardoor je niet jezelf kunt zijn: dit noem ik het proces van worden. Het is de basis waardoor medelijden ontstaat, een toestand waarin je niet vrij bent van wat er is, een toestand waarin je lijdt, een toestand die teweeggebracht is door een soort bewustzijn dat nog onvolkomen is.  

Aan de andere kant is het veel moeilijker om juist vrij te zijn van het leed in de wereld. Veel moeilijker is het om die morele mentale factoren te ontwikkelen die de basis vormen voor het verminderen van het leed, zowel dat van jezelf als dat van anderen. Het is dus duidelijk dat hier een heel ander soort bewustzijn voor nodig is.  

Naarmate er verscheidene morele mentale factoren ontwikkeld zijn zoals wijsheid en verzaking, zal er geen medelijden ontstaan omdat wijsheid geen lijden teweegbrengt en verzaking ervoor zorgt dat je vrij bent van de dingen in en om je heen. Er is dan iets anders, iets dat weldegelijk ook het morele aspect van medeleven vertegenwoordigt, namelijk mededogen. Maar mededogen schommelt niet op en neer zoals de gevoelens van medelijden die aan de hand van het bewustzijn opkomen en vergaan en zoveel leed veroorzaken. Mededogen is een morele factor van de geest die, nadat het ontwikkeld is, altijd aanwezig is. Het is niet een toestand die tijdelijk is voortgebracht maar een staat van de geest die ontwikkeld is met als basis een zuiver en goed functionerend bewustzijn. Een bewustzijn dat vrij is, dat zich niet conformeert aan dingen, een bewustzijn dat zich niet door iets laat leiden.  

Met een perfect functionerend bewustzijn gaan mentale factoren samen zoals begrip, verzaking en gelijkmoedigheid. Dergelijke morele factoren zijn de kenmerken van een perfect wezen omdat zij niet de weg van worden weerspiegelen, maar van zijn 

De praktijk 

Wanneer je je geest niet onder controle hebt zul je jezelf sneller vastgrijpen aan hetgeen je ziet, hoort, etc. Zie je iemand die ziek is, gewond is of op sterven ligt, dan zul je jezelf daar sneller mee identificeren oftewel vereenzelvigen. Je ‘wordt dan die persoon’. Vooral als het iemand is die je goed kent of iemand waarvan je houdt. Maar waar je op reageert, daar raak je in betrokken. Je kunt daardoor zoveel gaan lijden dat je gemakkelijk in een toestand kunt komen dat je zover afzwakt dat je niet meer goed kunt functioneren. De staat van onze geest is dus erg bepalend of we bekwaam zijn om dat te doen wat nodig is. Laat je jezelf door de wereld op sleeptouw nemen waardoor je in een machteloze positie komt of kies je ervoor om jezelf te zijn? Je helpt er niemand mee door alles erg te vinden of door jezelf veel leed aan te doen omdat je jezelf niet in de hand hebt. Integendeel, je maakt het er voor jezelf en anderen alleen maar erger door. Het zou veel beter zijn om de juiste actie te ondernemen zoals het liefdevol verzorgen van een zieke, een gewonde of degene die op sterven ligt te troosten door wijze en krachtige woorden. Om te kunnen doen wat gedaan moet worden, is het een eerste vereiste om goed voor jezelf te zorgen.  

Jezelf het leed van anderen aantrekken behoort niet tot het juiste onderhoud op de mentale en fysieke gebieden!  

De Boeddha stond altijd klaar om daar te helpen waar hulp nodig was. Er was één wens waarvan zijn geest continu doordrongen was, namelijk dat alle wezens gelukkig en vrij van lijden zullen zijn. In vele gevallen kunnen ook wij niet veel meer doen dan dat. Dit kan onbeduidend lijken, maar in werkelijkheid heeft het een helend effect op jezelf en op anderen.  

Het mededogen van de Boeddha was onvoorwaardelijk en onpartijdig, het betrof elk wezen, zelfs de mensen die hem probeerden te vermoorden. Mensen waarbij het ego dominant is, beschikken niet over deze verheven staat van de geest. Zij kunnen wel medelijden voelen, maar zoals gezegd is dat verbonden met een persoonlijk bewustzijn, een truc van Mara om zo nog meer leed te veroorzaken. Om in de voetsporen van Mara te treden of in die van de Boeddha, is slechts een kwestie van worden of zijn.  

Boeddhisme 108  

Er zijn 84000 lessen van de Boeddha verdeeld over 108 dikke boeken. 

Boeddhistische tempels tellen vaak 108 relikwietorens ( stoepa’s ). 

 

De meditatieketting heeft 108 kralen om de heilige geluidstrillingen mee te tellen  

( mantra’s ). Zie Om Mani Padme Hum   

Honderdenacht is het product van de negen planeten met de twaalf sterrenbeelden, volgens de Aziatische astrologie.  

In het boeddhisme is de 108 het product van: 6x3x6 of beter nog 6+6+6 x 6. 

Het 6+6+6 slaat op het zintuigenrijk (ayatana), de vijfde schakel in de voorwaarlijkheidsketen van lijden. 

Zes is het aantal zintuiglijke organen: Oog, Oor, Neus, Tong, Lichaam, Denkorgaan. 

Deze zes organen hebben zes objecten van zintuiglijke waarneming: Vorm. Klank, Geur, Smaak, het tastbare, het denkbare. 

Hieruit ontstaan zes verschillende waarnemingen dan wel processen en concepten: Zien, Horen, Reuken, Proeven, Voelen, Denken. 

Deze achttien grondvormen van de wereld der zintuigen zien we bij alle voelende wezens, die weer verdeeld zijn over zes bestaansrijken: Godenrijk, Halfgodenrijk, Mensenrijk, Dierenrijk, Geestenrijk en Hellen. 

Zo ontstaan 108 mogelijkheden tot handelen en tegelijk ook valkuilen op de weg naar verlichting. 

Het tegenmiddel voor deze 108 passies is de leer van de Boeddha gevat in 108 boeken, maar vooral meditatie. 

Als verlicht medegevoel manifesteert deze weg zich in de 108 vormen van de Bodhisattva Avalokitesvara. 

De naam mala en het aantal van 108 kralen is uit het hindoeïsme overgenomen door het boeddhisme.  

Volgens de boeddhistische leer zijn er 108 wereldlijke verlangens die een mens achter zich moet laten om het Nirwana (de verlossing) te bereiken. 

Door met het bidsnoer in de hand te mediteren en bij iedere kraal de naam van Boeddha te noemen, breng je verlossing een stukje dichterbij. 

Met de verbreiding van het boeddhisme vanuit India naar het oosten, is ook dit bidsnoer over heel Oost-Azië uitgewaaierd, met allerlei lokale variaties in materiaal (hout, zaden, been enz.), aantal kralen (zo komen ook kleinere bidsnoeren van 36 kralen voor, die in 2003 opeens in het westen een rage werden onder de ‘hippe’ naam power beads).  

In China werden de kralensnoeren niet alleen gedragen door boeddhistische monniken, maar ook gebruikt als een soort ambtsketen voor hogere ambtenaren, vandaar de naam ‘hofketting’ (chaozu). 

Het kralensnoer (mala)     

Het kralensnoer wordt hoofdzakelijk gebruikt om mantra’s te tellen die gereciteerd worden. Het heeft dus feitelijk eenzelfde functie als de rozenkrans. Kralen gemaakt van bodhizaden of hout zijn voor velerlei doeleinden geschikt, voor het tellen van allerlei soorten mantra’s of andere gebeden, neerbuigingen, rondgangen enz.  

Mantra’s kunnen in tantra beoefeningen gereciteerd worden voor verschillende doeleinden, zoals: 

  1. pacificeren  
  1. doen toenemen  
  1. overmeesteren  
  1. temmen op toornige wijze  

De kralen die gebruikt worden om mantra’s te tellen die het pacificeren (van verstorende emoties) tot doel hebben kunnen bijvoorbeeld van kristal, parel of parelmoer zijn. Een rozenkrans moet voor dit doel honderd van zulke kralen hebben. Mantra’s die we op zulke kralen tellen dienen om hindernissen te verwijderen zoals ziekte en andere rampzaligheden en voor het zuiveren van negatieve activiteiten.
Mala’s om mantra’s voor toename (van onze positieve eigenschappen) te tellen, horen van goud, zilver, koper of lotuszaden gemaakt te zijn, de rozenkrans heeft 108 van zulke kralen. De mantra’s die we daarop tellen dienen om de levensduur, kennis en verdiensten te doen toenemen.
Mala’s voor mantra’s om (onze sterke verstorende emoties) te overmeesteren bestaan uit een mengsel van gemalen sandalwood, saffraan en andere geurige substanties. Deze rozenkrans heeft vijfentwintig kralen. De mantra’s die daarop geteld worden zijn bedoeld om anderen te temmen, maar de motivatie om dit te doen behoort wel een zuivere wens te zijn om anderen te helpen en niet om er zelf baat bij te hebben (niet voor je eigen welzijn).
Mala’s om mantra’s te tellen met het doel om krachtig negatieve krachten te onderwerpen door toornige methoden moeten gemaakt zijn van raksha zand of mensenbeen, zestig aan een koord. Omdat dit met een volkomen altruïstische bedoeling hoort te gebeuren is de enige persoon die in staat is een dergelijke daad uit te voeren een bodhisattva die dit doet uit groot mededogen voor wezens die op geen enkele manier getemd kunnen worden, zoals kwaadaardige geesten. 

Het koord is voor alle mala’s hetzelfde, en hoort te bestaan uit negen draden die de Boeddha Vajradhara en de acht bodhisattva’s symboliseren. De grote kraal aan het eind staat voor de wijsheid die de leegte realiseert en de cilindervormige kraal daarboven is de leegte zelf. Samen symboliseren zij dat alle tegenstanders verslagen zijn. 

Sommige beoefenaars bevestigen ook een soort tellers aan de mala, waarbij verschuivende kralen het aantal mala’s weergeeft dat men geteld heeft. 

De Mantra: OHM-MANI-PADME-HUM: 

OHM-MANI-PADME-HUM is, zeker in het westen, één van de bekendste Mantra’s. Hij wordt vaak vertaald als: Hij die uit de lotus komt/woont. Maar dat is een zeer eenvoudige vertaling.
Tezamen met OM-AH-HUM-BENZA-GOEROE-PEMÉ-SIDDHI-HUM behoren ze tot de meest gebruikte meditatietechnieken waarbij een mantra gebruikt wordt.  Beide mantra’s hebben een filosofische achtergrond binnen het Boeddhisme.
De mantra OM-MANI-PADME-HUM bestaat uit 4 tekens (woorden) en 6 lettergrepen.   

 

OHM: 

Ohm is op zichzelf ook een mantra. Je spreekt het uit als AUM. Uitgesproken is het een geheel, maar het heeft drie aparte klanken: A-U-M.  

 

 A – klankDe A – klank heeft een diepe keelklank en wordt met open mond gezongen. De tong bepaald je de klank. Met de A kan je de laagste trilling verkrijgen, de bas. Deze klank geldt voor ons waakbewustzijn.  

 U – klankDe U- klank ligt het meest vóór in de mond ligt. Met de lippen bepaal je de klank en gaan van open (A) naar gesloten (M). Deze klank geldt voor ons droombewustzijn (denken, voelen, wensen, willen).  

 M – klankDe M – klank wordt met gesloten mond gezongen. Deze klank geldt voor ons diepslaap-bewustzijn (Boeddha-natuur). Het symboliseert het oneindige, of de eenheid aller dingen.   

Samengevoegd is AUM = OHM  gelijk aan de trilling van de Kruin-Chakra en het derde oog tezamen (hoofd Chakra, gezien vanuit de Boeddhistische Chakra-leer). Daarmee staat het voor spiritualiteit en onze verbinding met de Universele energie. Ohm wordt ook gebruikt in inwijdingen, offering en gebeden. Ohm vertegenwoordigd het oneindige. Leven, materie, dromen, wensen zijn eindigend. Hetgeen wat oneindig is (noem het: Universele energie, Boeddha-natuur, Christus bewustzijn of God) wordt gezien als OHM.

MANI: 
Het juweel. Daar waar OHM de belevenis van het oneindige symboliseert, symboliseert MANI, het juweel, de belevenis van de innerlijke verbondenheid van al het leven in de kringloop-der-wedergeboorten (Samsara). Vanuit onze Ego en vanuit ons egocentrische voelen, handelen en ervaren leren wij. We leren dat er meer is dan alleen Ego. Dat wat dan ontstaat is gebaseerd op liefde en mededogen. Dat wordt gezien als MANI.
Gaan we dieper hierop in, dan kijken we naar MANI als juweel. Al vanuit de beginselen van het Boeddhisme wordt gesproken van een drievoudige juweel: Boeddha (de leraar of inspirator), Dharma (de leer) en Sanggha (groep mensen met dezelfde ideeën opdat je van elkaar kan leren). Deze drie-eenheid staat los van Ego en los van materiele gewin. Wil je je hier aan geven, dan kan dat alleen vanuit je hart, dus vanuit liefde, compassie en mededogen.

PADME:
De lotus. Symbool voor de geestelijke ontplooiing van de mens. Het ontwaken van Prana (de levensenergie) via de Nadi’s (meridianen).  Als de mens alleen handelt vanuit zijn EGO, dan wordt hij gedreven door onwetendheid (onwetendheid over zijn eigen Boeddha-natuur), begeerte (naar materieel gewin) en haat. Door het ontwaken van het juweel (MANI) kan men dit loslaten. Door spiritueel besef zal de begeerte verminderd worden (men ziet dat niet meer als het belangrijkste), stijgt de vraag naar kennis en ontstaat er liefde en mededogen. Een gevolg van dit spirituele besef is dat er energie (Prana) vrijkomt in ons lichaam. PADME activeert Prana.
Daar waar PADME de Prana activeert, zet OHM  de boel in beweging, door middel van 2 energieën: Ida Nadi, vrouwelijke energie doorstroomkanaal cirkelt linksom van perineum tot linkerneusgat. Pingala Nadi het de mannelijke  doorstroomkanaal en cirkelt rechtsom van perineum naar rechterneusgat). 

HUM:
MANI is het juweel dat je inzicht geeft tot een hoger besef. PADME ontwaakt de Prana. HUM zet deze vast in het hart. HUM is de magische klank van het hart. 
 

OHM-MANI-PADME-HUM en de Chakra’s:
In het Boeddhistische Chakrasysteem wordt de Hoofd- en KruinChakra gezien als één Chakra: HoofdChakra. Het SacraalChakra en Perineum worden vaak (niet altijd) gezien als WortelChakra. 

 

    Kruin Chakra (Sahasrara Chakra)       OHM  
       
Derde oog (Ajna Chakra)      
   
Keel Chakra (Vishuddha Chakra)       MA-  
       
Hart Chakra (Anahata Chakra)       NI  
   
    PA- 
Zonnevlecht (Manipura Chakra)      
    DME 
Sacraal Chakra (Svadihthana Chakra)      
    HUM 
Perineum (Muladhara Chakra)      

Wereld der verschijnselen:
Elke lettergreep verwijst naar een wezen uit de “wereld der verschijnselen” ook wel levensrad genoemd;
OM (de goden), MA (de niet goden), NI (de mensen), PA (de dieren), DME (de niet mensen), en HUM (de helbewoners). Kagyü- Boeddhisten (uit het Oostelijke deel van Tibet, waar het Boeddhisme is vermengd met het Sjamanistische Bön religie) nemen deze wereld der verschijnselen letterlijk. Andere Boeddhistische stromingen leggen de “wereld der verschijnselen” uit als de 6 geestestoestanden van de mens:  

Helbewoners / de wereld van de Hel: 
Kort- of langdurige staat van opperste woede. Alle primaire instincten die daaruit voortkomen leiden tot vijandschap, haat en agressie.
Niet mensen / de wereld van de hongerige geesten:  
Het gevoel hebben dat je verlangens niet bevredigd kunnen worden.  Seksualiteit, materialisme, carrièredrang en hiärchie zijn allemaal bevredigingen die dan leiden tot een nieuwe, grotere behoefte. In de schilderkunst vaak weergegeven als hongerige geesten met enorme magen in een zaal met tafels gevuld met overvloedige gerechten. De geesten hebben monden als speldenknoppen en lange dunne nekken.
De dieren / de wereld van de dieren:  
Tegelijkertijd kan ook de situatie ontstaan van dierlijke onwetendheid. Je partner is bijvoorbeeld niet gelukkig, voelt zich verwaarloosd, gepasseerd en verlangt naar aandacht. Als je de pijn en verdriet van een ander negeert of wegpraat en overtuigt bent van je eigen gelijk dan handel je vanuit de dierlijke instincten van de dierenwereld.
De mensen de wereld van de mensen: 
Alleen als mens kan je het levensrad verlaten. Hier is de illusie het dunst.  
Niet goden / de wereld van de jaloerse halfgoden: 
Mensen die succesvol zijn, het gemaakt hebben, weinig problemen hebben. Ze hebben enkel de enorme angst alles kwijt te raken. Doen alles om te behouden wat ze hebben, en verliezen zo hun geluksgevoel. Zijn jaloers op mensen die gelukkig zijn met minder. Gevolg hiervan is jaloezie, rivaliteit het misgunnen van andermans geluk.
Goden: 
Mensen die denken verlichting bereikt te hebben. Zijn compleet onafhankelijk en leven in een luchtbel. “Als deze uiteen klap, vervallen ze tot de wereld van de Hel”.
 

De Meditatie:  

Ga ergens rustig zitten. Volg je ademhaling, en merk hoe deze rustiger wordt. 
Als je rustig en diep ademt begin je een paar keer OHM-MANI-PADME-HUM te zingen. Na een aantal keer bemerk je dat je een ritme hebt. 
Probeer niet de mantra in één ademhaling te zingen als dat niet lukt. Het moet een lekker en natuurlijk ritme zijn, heb je daar 3 ademhalingen voor nodig, dan is dat prima. Ga nu de mantra zingen, terwijl je met je handen en/of je gedachten de bijbehorende Chakra langsgaat.  

OHM (Kruin-Chakra en Derde oog tezamen)
MA (Keel-Chakra) Zing  MAAAA… met een mooie trillende stem, dan voel je dat deze mantra bij je keel hoort. 
NI (Hart-Chakra) 
PA (Zonnevlecht) 
DME (Sacraal-Chakra) 
HUM (Perineum)

Doe deze mantra meerdere keren. Op een gegeven moment gaat het zonder dat je er bij na hoeft te denken. Het mantreren gaat nu vanzelf.   

 De mantra ‘Ohm Mani Padme Hum’  

De Mantra Ohm Mani Padme Hum bevat, zo wordt gezegd, de totale lering van de Boeddha. Daarom ook kun je er haast geen vertaling van geven. 

Toch is het wel goed om te proberen er iets meer over te vertellen. Veel mensen in het Westen zingen deze Mantra. Hoewel het misschien in de eerste plaats gaat om het gevoel dat je bij het zingen hebt, de staat waarin je erdoor komt en de eerbied die het oproept, is het toch ook wel aardig als je een beetje weet wat je doet. Het is bovendien goed te weten waarom juist deze Mantra voor Boeddhisten zo belangrijk is.  

De Mantra Om Mani Padme Hum is de wijdst verspreide van alle Boeddhistische mantra’s. Hij kan worden gebruikt door iedereen die zich erdoor geïnspireerd voelt en er is geen inwijding van een Meester nodig om hem te kunnen of mogen gebruiken. 

De zes woorden waaruit de mantra bestaat staan hieronder in het Tibetaans:  

Om (ohm)  Ma (mah)  Ni (nee)  Pad (pahd)  Me (meej)  Hum (hum) 

Het ‘Pad’ ‘Me’ wordt door veel Tibetanen als ‘Peme’ uitgesproken: Ohm Mani Peme Hung.
De Mantra komt namelijk van oorsprong uit India, maar voor veel Tibetanen is het Sanskriet moeilijk uit te spreken.  

   
 

 

Sanskrietvorm:
Ohm Mani Padme Hum
mantra van Avalokiteshvara  

 

De betekenis van de Mantra 

“Er is geen enkel aspect van Boeddha’s leringen dat niet is vervat in Avalokiteshvara’s mantra “Ohm Mani Padme Hum”. Daarom wordt de Mantra zo vaak geprezen in de Sutras en Tantras. Of we nu vrolijk of verdrietig zijn, we kunnen deze mantra als toevluchtshaven kiezen. Chenrezig zal ons niet in de steek laten, spontane devotie zal in onze geest opkomen en het Grote Voertuig zal makkelijk worden gerealiseerd.”
Naar: Dilgo Khyentse Rinpoche, Heart Treasure of the Enlightened Ones 

Om Mani Padme Hum kan niet simpelweg worden vertaald in een paar zinnen. De hele lering van Boedda, de Dharma, is gebaseerd op de ontdekking van Boeddha dat lijden niet nodig is. Het is net als bij een ziekte: als we eenmaal erkennen dat lijden bestaat kunnen we er dieper en dieper naar kijken en haar oorsprong ontdekken. En als we ontdekken dat de oorzaak afhankelijk is van enkele bepaalde omstandigheden, kunnen we de mogelijkheid van het wegnemen van die omstandigheden onderzoeken.
Zie hiervoor: de boeddhisme pagina’s 

Boeddha leerde verschillende manieren om de oorzaak van lijden weg te nemen, methoden die zijn aangepast aan de verschillende omstandigheden en de aard van ieder individu. Voor hen die het kunnen bevatten is de mooiste methode de van het praktiseren van mededogen. Dit staat bekend als het Grote Voertuig (Mahayana). 

 

Ohm Mani Padme Hum 

“Boeddha van het grote mededogen, hou me vast in uw mededogen. Sinds tijden zonder begin hebben mensen in samsara geleefd en hebben ze niet te dragen lijden ondergaan. Ze hebben geen andere beschermer dan U. Zegen hen, zodat ze de allesomvattende staat van Boeddhaschap mogen bereiken.” 

ACHTERGRONDTERMEN BOEDHISME
 

AMRITA
Onsterfelijkheid; mri = sterven. Samenhang met “ambrozijn”, godendrank.
Sommige boeddha’s (Amitayus bijv., zie afbeelding) hanteren vaas met nectar van onsterfelijkheid – een van de symbolen van geluk.
 

ANUTTARA SAMYAK SAMBODHI
“Hoogste, weergaloos volmaakte verlichting”: geen hoger (uttara = hoger), geen ander (samyak van sama = gelijk, zelfde), geen wijziging (sam ook van sama).
 

ASRAVA
Letterlijk: “uitvloeiing, afscheiding”; woekering.
1. kamasrava – woekering van verlangens
2. bhavasrva – woekering van wording, bestaan
3. avidyasrava – woekering van onbegrip
1 en 2 scheppen, tezamen met hang naar bevrijding (= 3), trishna (dorst, 2e van 4 waarheden).
 

BARDO (4) [letterlijk tussengebied]
1. leven – natuurlijk
2. sterven – pijnlijk
3. dharmata – schitterend
4. wording karmisch 

BEHEERSINGEN (8) [abhibhavayatana]
Bij 1 en 2 gebruikt men een beperkt (klein) of onbegrensd (groot) gebied van eigen lichaam.
Bij 3 en 4 kiest men een uiterlijk object (bloem bijv.); klein object voor onstabiele mensen, groot object voor misleide mensen, mooi object voor mensen met woede, lelijk object voor mensen met hebzucht.
Vergelijk met 8 bevrijdingen: beheersing 1-2 corresponderen met 1e bevrijding; beheersing 3-4 met 2e bevrijding; beheersing 5-8 met 3e bevrijding.
1. waarnemen van lichaam m.b.t. beperkte vormen
2. waarnemen van lichaam m.b.t. onbegrensde uiterlijkheden
3. waarnemen van vormloos lichaam m.b.t. beperkte vormen
4. waarnemen van vormloos lichaam m.b.t. onbegrensde uiterlijkheden
5. blauw (schoonheid)
6. geel (schoonheid)
7. rood (schoonheid)
8. wit (schoonheid) 

BESTAANSVORMEN (6) [gati]
1-3 hogere (goed karma), 4-6 lagere (kwaad karma).
Levensvormen in de 3 werelden, bepaald door de 3 vergiften (akushala).
1. deva (hemelwezens): hebzucht
2. mensen: woede
3. asura (demonen): onbegrip
4. preta (hongerige geesten): hebzucht [lett.: overledene]
5. naraka (hellewezens): woede [beheerst door Yama]
6. dieren: onbegrip 

BEVRIJDINGEN (3) [vimoksha]
Ook genoemd: poorten tot nirvana.
1. leegte – besef van shunyata: ego en dharma’s zijn leeg.
2. vormloosheid – besef van animitta: dharma’s zijn niet te onderscheiden.
3. gelijkmoedigheid – besef van duhkha: bestaan verdient geen verlangen. 

BEVRIJDINGEN (8) [ashta-vimoksha]
Meditatie-oefening die 8 stadia van concentratie doorloopt als hulpmiddel om lichamelijke en niet-lichamelijke factoren te overwinnen.
Vergelijk met de 8 beheersingen: beheersing 1-2 corresponderen met 1e bevrijding; beheersing 3-4 met 2e bevrijding; beheersing 5-8 met 3e beheersing.
4-7 zijn identiek aan de 4 stadia van vormloosheid (arupasamadhi).
1. besef van interne en externe vormen
2. besef van externe vormen
3. besef van schoonheid
4. verwerkelijking van veld van onbegrensde ruimte
5. verwerkelijking van veld van onbegrensd bewustzijn
6. verwerkelijking van veld van afwezigheid, niets
7. verwerkelijking van veld van waarneming noch niet-waarneming
8. ophouden van besef en gevoel (nirodha-samapatti) 

BEWUSTZIJN (9) [vijnana]
5e skandha, 3e keten. Zen hanteert model van Yogacara school (Dawn 132):
1-6 zintuig-bewustzijn; geboorte en dood; subject-illusie.
7 manas: ik-besef; subject-beleving.
8 alaya-vijnana (ook: chitta): opslag-bewustzijn, voorraad-bewustzijn; karma.
In 7 en 8: geen geboorte en dood; het individu (anatman) blijft van 1-8 in stand.
Deze 8 geestesvormen zijn als een golf die voortkomt uit leegte, de oceaan van bewustzijn.
1. gezicht
2. gehoor
3. reuk
4. smaak
5. tastzin
6. intellect
7. manas (ik-besef)
8. alaya (ook “chitta”; voorraad-bewustzijn; bevat “bija”, zaden van karma die kunnen rijpen tot “phala”, vruchten.) 

Manas: geest, intelligentie, denken.
In Hindoeïsme: een van de 5 anthakarana, innerlijke organen: jnana (kennis), manas (geest), buddhi (intellect), chitta (geheugen) en ahamkara (ego).
Via manas ontvangen we indrukken die doorgegeven worden naar buddhi (categoriserend element van anthakarana).
“Het Hart is de bron van de anthakarana” (Talks 360).
In Boeddhisme: mentale vermogens en activiteiten. 6e van de 6 zintuigbases (shadayatana), conditioneert de andere 5 zintuigbases. 

BODHI
Zie “verlichting“; “Bodhi is gelijk aan oefening.” (Asanga, in Wisdom 82) 

BODHICITTA
Verlichtingsgedachte, -besef; ook innerlijk voornemen om verlichting te verwezenlijken.  

BODHISATTVA [letterlijk verlichtingswezen]
Arhat van Hinayana. De bodhisattva beoefent de 6 paramita’s op grond van gelofte, als expressie van het vaste voornemen om verlichting te bereiken en alle schepselen daarin te helpen. Uit mededogen en wijsheid ziet hij af van nirvana.
Shunryu Suzuki: “Stervelingen komen ter wereld op grond van karma, boeddha’s op grond van een gelofte.”
De bodhisattva weg begint met verlichtingsbesef [bodhicitta], en met de gelofte [pranidhana], en verloopt via 10 landen [bhumi].
Te onderscheiden in 2 dimensies: aards (mensen) en transcendent (helpers). Voorbeelden:
Manjushri [lett. Nobel en Zacht]; wijsheid [prajna].
Avalokiteshvara [lett. Vernemer der Wereldgeluiden]; mededogen [karuna]; helper van Amithaba, zijn spirituele vader.
Samantabhadra [letterlijk De Alom Goede]; eenheid absoluut-relatief; verbonden met Vairocana; zijn naakte blauwe lijf symboliseert shunyata; vaak met partner in yab-yum [letterlijk vader-moeder] afgebeeld. 

BOEDDHA [“ontwaakte”, “gewaarzijn”]
“Wie zijn eigen aard ziet is een boeddha, wie deze niet ziet is een sterveling.” (Bodhidharma 29)
Historische boeddha: Siddharta (voornaam) Gautama (familienaam) Shakyamuni (wijze uit Shakya-stam, heersers over Kapilavastu in Noord India, huidige Nepal). Zie pagina Shakyamuni.  

CHAKRA [zie “wiel“] 

DEVA [hemelwezens]
Letterlijk: “de stralende, de lichtende”.
Een van de 6 bestaansvormen (gati) van samsara.
Er zijn 28 hemelse rijken: 6 in de wereld van verlangen, 18 in de wereld van vorm, en 4 in de vormloze wereld (zie 3 werelden). 

DHARANI [letterlijk houdster].
Korte soetra’s met magische formules, meestal langer dan mantra’s.
Dragen de essentie van het betreffende onderricht over, door middel van herhaling. 

DHARMA [van “dhri”: vasthouden, dragen]
Bodhidharma: “De sublieme dharma-melk van de drie voorschriften” [zie oefening en de paramita‘s].
“Bron van onbegrensde potentie” (Shunryu Suzuki).
Zie ook “wiel” (dharma-chakra). 

DHYANA:  “meditatie 

DOOD [uiterlijk-innerlijk oplossen]
Tezamen met ziekte en ouderdom, een van de “3 goddelijke boodschappers” (deva-duta). 

Uiterlijk (zintuigen + elementen: lichaam)
1. aarde (berg) – vorm
2. water (rivier) – gevoel
3. vuur (vlammenzee) – waarneming
4. lucht (wervelstorm) – samenhang
5. bewustzijn: winden samengetrokken in “levensondersteunende wind” in hart 

Innerlijk (grof-subtiele gedachten/emoties: geest)
1. witte essentie daalt – agressie verdwijnt: witheid verschijnt
2. rode essentie stijgt – begeerte verdwijnt: roodheid neemt toe
3. bewustzijn ingesloten – onwetendheid verdwijnt: zwartheid bereikt
4. grond-luminescentie schijnt: boeddhanatuur – dharmata 

ELEMENTEN (5) [mahabhuta; vier dhatu + akasha]
1. aarde – het vaste: bodem, basis
2. water – het vloeibare: aanpassingsvermogen, continuïteit
3. vuur – het verwarmende: helderheid, waarneming
4. lucht – het bewegende: beweeglijkheid, verandering
5. ruimte – het doordringende: onbegrensdheid (akasha) 

ENERGIELICHAAM [sambhogakaya]
Een van de 3 lichamen: zie ook pagina energiesysteem. 

ESSENTIES (2) [bindu]
1. wit: zetel bij kruin – pure essentie van zaad van vader
2. rood: zetel bij navel – pure essentie van bloed van moeder 

FAMILIES, BOEDDHA- (5) [buddhakula]
Kwaliteiten van Sambhogakaya [zie lichamen]; aspecten van prajna [zie oefening en paramita]; “meditatie boeddha’s”.
1. Vairocana [lett. Zon-gelijkende]
Alomvattende ruimte: openheid, oneindigheid – transformeert onwetendheid; centrum; wiel; ruimte; hart; mudra: hoogste wijsheid.
2. Akshobhya [lett. Onbewogene]
Spiegelende wijsheid, weerspiegeling transformeert woede, oost, vajra-scepter, water, voorhoofd, mudra, aarde, raken.  

  1. Ratnasambhava [lett. Juweel-geborene]
    Gelijkheidswijsheid: onbevooroordeeld zijn – transformeert trots; zuid; ratna-juweel; aarde; navel; mudra: wens vervullen.
    4. Amitabha [lett. Grenzeloos Licht]
    Onderscheidende wijsheid: helderheid – transformeert begeerte; west; padma-lotus; vuur; keel; mudra: meditatie.
    5. Amoghasiddi [lett. Foutloze Vervuller]
    Vervolmakende wijsheid: volmaakte aanwezigheid – transformeert jaloezie; noord; zwaard; lucht; geslacht; mudra: onbevreesdheid. 

GASSHO, [anjali-mudra]: zie “mudra 

GELOFTEN (4), de Vier Grote – [pranidhana, Jap.: shiku seigan]
Deze Bodhisattva-formule, die in tempels meermaals per dag tijdens de oefening gereciteerd wordt, luidt (Kapleau 213):
1. Alle wezens, talloos, beloof ik plechtig te bevrijden
2. Eindeloos blinde hartstochten beloof ik plechtig uit te roeien
3. Dharma-poorten, talloos, beloof ik plechtig door te gaan
4. De Grote Weg van Boeddha beloof ik plechtig te bereiken.
Een bondiger versie:
Levensvormen ongeteld, ik zweer hen te behoeden
Wensen onverzadigbaar, ik zweer hen te bedaren
Bronnewerking onbegrensd, ik zweer hem te bevatten
Eenheidswegen eindeloos, ik zweer hen te begaan. 

HINDERNISSEN (5) [nivarana]
Overwinnen ervan maakt dhyana mogelijk.
1. verlangen [kama; abhidya]
2. kwaadaardigheid [pradosha]
3. luiheid [styana] + stijfheid [middha]
4. rusteloosheid [anuddhatya] + wroeging [kaukritya]
5. twijfel [vichikitsa] 

HUAYAN [Jap.: Kegon]
Letterlijk: “Avatamsaka”, belangrijke Boeddhistische school gebaseerd op de Avatamsaka soetra, “Bloesem Sier soetra”.
Ontstaan rond 600, door toedoen van de monniken Tu-shun en Chih-yen, de eerste twee patriarchen.
De vijfde patriarch, Zongmi (Tsung-mi, 780-841), was een belangrijk vernieuwer van de school; was tevens Zen meester.
De school wordt omschreven als “het onderricht van de totaliteit”: alles hangt met alles samen.
Net als de Tiantai school verdeelt ook de Huayan school Boeddha’s onderricht in 5 fasen, die elk hun eigen karakter hebben – als grondslag voor de verschillende Boeddhistische scholen.  

KALPA
Letterlijk: “wereldcyclus, wereldtijdperk”.
Een onvoorstelbaar lange tijdsduur. 

KANALEN (3) [nadi]
Subtiele verticale energiebanen (en talloze vertakkingen) in en door menselijk lichaam:
1. rood
2. wit
3. centraal
Zie ook pagina energiesysteem (chakra’s). 

KARMA
“Moreel equivalent van de natuurkundige wet van oorzaak en gevolg.” (Bodhidharma 133).
Geactiveerd door lichaam, spraak en geest; deze drie manifestaties (voortkomend uit de 3 vergiften hebzucht, woede en onbegrip) kunnen getransformeerd worden tot de 3 lichamen via mudra, mantra en samadhi.
Zie ook 3 kostbaarheden en 6 bestaansvormen. 

KETENS (12) [pratitya-samutpada; lett. voorwaardelijk ontstaan]
Kringloop van geboorte en dood. Zie ook samsara en levenswiel.
Beslaat 3 levens (1+2 vorig leven, 11+12 toekomstig leven).
1. avidya – onwetendheid (3e smet)
2. samskara – wens, vormgeving, neigingen, impulsen (4e skandha)
3. vijnana – besef, bewustzijn (5e skandha)
4. namarupa – lett. naam-vorm, geest-lichaam, individualiteit
5. shadayatana – de zes zintuigen
6. sparsha – aanraking, contact met omgeving, zintuiglijkheid
7. vedana – gewaarwording, onderscheid, betekenisgeving (2e skandha)
8. trishna – behoefte, dorst, gemis (2e waarheid)
9. upadana – gehechtheid, vasthouden
10. bhava – wording, bestaan, karmische processen
11. jati – geboorte
12. jara-maranam – ouderdom en dood 

KOAN [Chin.: gongan]
Japans, letterlijk: “openbare kennisgeving”; in oorsprong verwijst de term naar een juridische kwestie die als precedent kon dienen.
Net als het tellen of volgen van de adem, is de koan een oefen/concentratie-instrument binnen de Zen traditie, en verregaand vergelijkbaar met mantra.
Vaak één zin of woord, verwijzend naar de waarheid.
Kan citaat zijn, of uitspraak van leraar, of een levende eigen vraag.
Voorbeelden: “Wie ben ik?”, “Mu”, “Niets heiligs”, “Wat is de klap van één hand?”, “(Alles is) Een”.
Er zijn 3 grote Chinese koan-verzamelingen in gebruik, uit overgeleverd historisch materiaal:
1. Verslag van de Blauwe Rots (Chin: Pi-yen-lu, Jap: Hekigan-roku): 100 koans [bron: Blue]
2. De Poortloze Poort (Chin: Wu-men-kuan, Jap: Mumonkan) 48 koans [bron: Yamada]
3. Het Boek van Sereniteit (Chin: Ts’ung-jung-lu, Jap: Shôyô-roku): 100 koans [bron: Serenity] 

KOSHA (5) [omhulsels] (vgl. met 5 skandha’s)
In Taittiriya-Upanishad. Zij omringen Atman, het Zelf.
Van buiten naar binnen:
1. anna-maya kosha – materieel: voedsel
2. prana-maya kosha – energetisch: adem, levensenergie
3. mano-maya kosha – mentaal: waarnemingen
4. vijnana-maya kosha – intelligentie: onderscheid, wil
5. ananda-maya kosha – zaligheid: innerlijke vreugde 

KOSTBAARHEDEN (3) [triratna]; ook “juwelen”
Tibetaans: kyabdro.
1. boeddha – geest
2. dharma – spraak
3. sangha – lichaam
 

KRACHTEN, BOVENNATUURLIJKE – (6) [abhijna]
Eerste vijf zijn wereldlijk, verkregen via de 4 dhyana-stadia; de laatste is buitenwereldlijk, via vipashyana.
1. potentie (riddhi)
2. geluiden horen
3. gedachten kennen
4. vorige levens kennen
5. inzicht in levenswetten
6. kennis omtrent eigen functioneren 

LANDEN (10) [bhumi] 

Stadia van de bodhisattva; eerste zes zijn aardse paramita-stadia, overige zijn transcendente staten.
1. pramudita-bhumi: LAND VAN VREUGDE
In dit stadium is de bodhisattva verheugd over het betreden van het pad van boeddhaschap. Hij heeft verlichtingsbesef (bodhichitta) verkregen en de bodhisattva-gelofte afgelegd. Hij beoefent met name de deugd van vrijgevigheid (dana) en kent geen egoïstisch denken of behoefte aan karmische verdiensten. De bodhisattva erkent nu de leegte van het ego en van alle dharma’s.
2. vimala-bhumi: LAND VAN REINHEID
Hier vervolmaakt de bodhisattva zijn discipline (shila); hij maakt geen misstappen. Hij beoefent dhyana en samadhi.
3. prabhakara-bhumi: LAND VAN SCHITTERING
De bodhisattva verkrijgt inzicht in de vergankelijkheid (anitya) van het bestaan en ontwikkelt de deugd van verdraagzaamheid/geduld (kshanti), door moeilijkheden aan te gaan en andere levende wezens actief te helpen zich te bevrijden. Hij heeft de drie vergiften (akushala) ontworteld. Dit stadium is mogelijk dankzij vastberadenheid, verzadiging en gelijkmoedigheid. De bodhisattva verwerkelijkt de 4 meditatiestaten (dhyana), de 4 stadia van vormloosheid (arupasamadhi), en de eerste 5 van de 6 bovennatuurlijke krachten (abhijna).
4. archismati-bhumi: HET VLAMMENDE LAND
De bodhisattva “verbrandt” resterende foute ideeën en ontwikkelt wijsheid. Hij beoefent de deugd van inzet (virya) en vervolmaakt de 37 “verlichtingsaspecten”.
5. sudurjaya-bhumi: LAND DAT ZEER MOEILIJK TE VEROVEREN IS
In dit stadium gaat de bodhisattva op in meditatie (dhyana) om een intuïtieve greep op de waarheid te krijgen. Zo begrijpt hij de 4 edele waarheden en de “2 waarheden”. Hij heeft twijfel en onzekerheid opgeruimd en weet wat de bedoeling is en wat niet. Hij werkt verder aan de vervolmaking van 37 verlichtingsaspecten.
6. abhimukhi-bhumi: LAND MET ZICHT OP WIJSHEID
Hier onderkent de bodhisattva dat alle dharma’s vrij zijn van eigenschappen, van wording, van veelvoud, en hij ziet het onderscheid tussen bestaan en niet-bestaan. Hij verkrijgt inzicht in de ketens van voorwaardelijke ontstaan (pratitya-samutpada), overschrijdt het onderscheidend denken door vervolmaking van de deugd van wijsheid, en begrijpt de leegte (shunyata).
7. durangama-bhumi: HET VER REIKENDE LAND
De bodhisattva heeft nu kennis verkregen en de geschikte middelen (upaya) die hem in staat stellen elk levend wezen op de weg naar verlichting te leiden overeenkomstig diens mogelijkheden. In dit stadium vindt een overgang plaats naar een ander bestaansniveau, dat van een transcendente bodhisattva, iemand die zich kan manifesteren in elke denkbare vorm. Na dit stadium is het niet langer mogelijk terug te vallen in lagere bestaansvormen.
8. achala-bhumi: HET ONBEWEEGLIJKE LAND
In dit stadium kan de bodhisattva nergens meer door gestoord worden; hij heeft namelijk de voorspelling ontvangen omtrent tijd en plaats van zijn boeddhaschap. Hij wint het vermogen zijn verdienste over te dragen op andere wezens, en ziet af van het verzamelen van karmische schatten.
9. sadhumati-bhumi: LAND DER GOEDE GEDACHTEN
De wijsheid van de bodhisattva is volledig; hij bezit de 10 vermogens (dashabala), de 6 bovennatuurlijke krachten (abhijna), de 4 zekerheden (vaisharadya), de 8 bevrijdingen (ashta-vimoksha) en de dharani. Hij kent de aard van alle bestaan en maakt het onderricht kenbaar.
10. dharmamegha-bhumi: LAND DER DHARMA-NEVEL
Alle inzicht (jnana) en onmetelijke deugdzaamheid zijn verwerkelijkt. De dharmakaya van de bodhisattva is volledig ontwikkeld. Hij wordt omringd door talloze bodhisattva’s op een lotus in de Tushita-hemel. Zijn boeddhaschap wordt bevestigd door alle boeddha’s. Voorbeelden zijn Maitreya en Manjushri. 

LEEGTE: shunyata 

LICHAMEN (3) [tri-kaya]
Zijnsniveau’s; transformaties van de manifestaties geest, spraak en lichaam, (zie ook “karma“).
1. dharma-kaya (waarheidslichaam): het wezenlijke
» essentie, ruimte, leegte, vrede, naamloos
2. sambhoga-kaya (zaligheidslichaam): het energetische
» bezieling, licht, vreugde, liefde, tijdloos (zie pagina energiesysteem)
3. nirmana-kaya (veranderingslichaam): het waarneembare
» manifestatie, werking, wijsheid, spontaniteit, vormloos 

MADHYAMIKA
Letterlijk: “de Weg van het Midden”.
Samen met de Yogacara school van Asanga en Vasubandhu, de belangrijkste school binnen Indisch Mahayana boeddhisme.
Gesticht door Nagarjuna, 14e Zen-patriarch (± 200 n.C.).
Ontkent elk dualisme: “Geen elimineren, geen produceren, geen verdwijnen, geen blijven, geen eenheid, geen veelvoud, geen bereiken, geen verliezen.” 

MANTRA
Van de wortel “mn”: ma, man, mens, minne, manie, mantis (Wisdom 19)
Heilige, innerlijke klank of woord(en); lett.: “bescherming”.
Voorbeelden: “Ohm”, “Ohm Mani Padme Hum”, “Namu Amida Butsu”, “Ohm Shri Ram Jai Ram”, “(Alles is) Een” – al naargelang de spirituele traditie en leraar.
Bewustwordingsinstrument van de levende waarheid.
Vergelijkbaar met koan in Zen. 

MEDITATIE (4) [dhyana]
Vier stadia van loslaten van rupadhatu [zie 3 werelden], via concentratie (samadhi).
Neemt 5 hindernissen (nivarana) weg en maakt bovennatuurlijke krachten (abhijna) mogelijk.
Einde van 8-voudig pad.
1. begrip, besef, interesse; welzijn (sukha).
2. innerlijke kalmte, vreugde, eenpuntigheid, welzijn.
3. aandacht, gelijkmoedigheid (upeksha), welzijn.
4. aandacht, gelijkmoedigheid. 

MERKTEKENS (3) [trilakshana]
Kenmerken van het geconditioneerde bestaan.
1. anitya (onbestendig)
2. anatman (zelveloos)
3. duhkha (pijnlijk) 

MUDRA
Letterlijk: “zegel, teken”.
Symbolisch/energetisch gebaar of houding.
In de afbeeldingen van boeddha’s worden vele mudra’s gebruikt. Enkele bekende:
1. Dhyani-mudra, normale meditatiehouding:
handen in open ovaalvorm bijeen in de schoot voor je centrum, duimen raken elkaar lichtjes.
2. Uttarabodhi-mudra (lett.: “latere – of volgende verlichting”) – mudra van Vairochana [zie Prajna-logo]:
handen voor de borst bijeen, dan vingers over elkaar heen leggen (of vouwen), met uitzondering van wijsvingers.
3. Vitarka-mudra (lett.: “twijfel-mudra”): onderrichtshouding, gebaar van onderzoek, discussie:
wijsvinger en duim raken elkaar, rechterhand omhoog, linkerhand omlaag
4. Dharmacharkra-mudra: verkondiging, wentelen van “het wiel van de leer”:
linkerpalm naar binnen, rechter naar buiten gekeerd; de cirkels, gevormd door duim en wijsvinger van elke hand, raken elkaar.
5. Bhumisparsa-mudra: aarde aanroepen als getuige van verlichting:
linkerpalm in de schoot omhoog wijzend, rechterhand, palm naar binnen, raakt over de knie de aarde.
6. Anjali-mudra (namaskara-groet, Jap.: gassho): uitdrukking van Zodanigheid:
handpalmen bijeenbrengen op borsthoogte.
7. “Vlinder-mudra“, handen bedekken in vlindervorm het hart (rechterhandpalm kruiselings over linkerhandrug, duimen raken elkaar); symbool van verinnerlijking; versmelting van binnen (hart) en buiten (handen). 

NIRVANA [“afwezigheid van adem”]
De andere oever.
“Dat wat, als het onderworpen is aan karma, samsara is, is, wanneer het niet langer onderwopen is aan karma, nirvana”. (Nagarjuna, in: Bodhidharma 131) 

OEFENING, DRIEVOUDIGE BODHISATTVA- (3) [trishiksha]
Door Bodhidharma ook bevrijdingen genoemd, “voorschriften” (disciplines).
Tegengif tegen de 3 vergiften / werelden; concreet tot uiting gebracht in de vier grote “geloften“.
Correspondentie met lichaam, adem, geest.
Zie voor algemenere “allesomvattende oefeningen”: waarheden.
1. shila – moreel gedrag: einde maken aan alle kwaad.
Geen hebzucht/begeerte (stap 3-5 van 8-voudig pad).
2. samadhi – meditatie: deugdzaamheid ontwikkelen.
Geen woede/vorm (stap 6-8 van 8-voudig pad).
3. prajna – wijsheid: alle levende wezens bevrijden.
Geen onbegrip/zelf (stap 1-2 van 8-voudig pad). 

OGEN (5): VISIE
[cakshu] Conze: Wisdom 32, 83, 94
1. stoffelijk
2. goddelijk
3. wijsheids (“derde oog”)
4. Dharma
5. Boeddha 

PAD, ACHTVOUDIG (8) [ashtangika marga]
1. juiste visie [samyak-ditthi]
2. juiste intentie [samyak-samkalpa]
3. juiste spraak [samyak-vach]
4. juiste handeling [samyak-karmanta]
5. juiste levensonderhoud [samyak-ajiva]
6. juiste toewijding [samyak-vyayama]
7. juiste aandacht [samyak-smriti]; vgl. pali “satipatthana”.
8. juiste concentratie [samyak-samadhi]; vier meditatievormen [dhyana]. 

PARAMITA (6)
“Wat de andere oever heeft bereikt” (param = voorbij, over; ita = gegaan), vervolmakingen.
Zij zuiveren de bodhisattva, door transformatie van de 6 zintuig-dieven; “roeien je over”.
1. dana – geven
2. shila – discipline
3. kshanti – geduld
4. virya – inzet
5. dhyana – meditatie
6. prajna – wijsheid 

PRANA [“ki”]
Zie ook bindu (essenties) en nadi (kanalen).
5 “hoofdwinden” ondersteunen de 5 elementen.
5 “subwinden” ondersteunen de zintuigen.
“Wijsheidswinden” door centrale kanaal (bewustzijn berijdt een wind: vogel).
Zie ook pagina energiesysteem. 

SAMADHI
Letterlijk: “vestigen, stevig maken”; ook vertaald als “concentratie”.
Eenheid, vereniging van subject en object.
Gevestigd zijn in oefening, staat van natuurlijk gemak, zonder “uitvloeiingen” (asrava).
In het verlengde van dhyana. 

SAMAPATTI
Letterlijk: “verworvenheden”.
Verwijst naar de 4 dhyana-stadia. 

SAMATHA
Rust, sereniteit, onverstoorbaarheid; synoniem voor samadhi. 

SAMSARA
Letterlijk: reizend; “voortdurende stroom”.
Gerepresenteerd in levenswiel (bhava-chakra).
Yama, god der onderwereld die het rad in zijn greep heeft, symboliseert de dood; zes segmenten zijn de 6 bestaansvormen; drie oorzaken (3 vergiften) in het midden; op de rand staan de 12 ketens uitgebeeld. 

SAMSKARA
Impulsen, neigingen, karmische bindingen; lett.: “samen-makers”.
2e van de 12 ketens en 4e skandha. 

SANGHA
Gemeenschap van Weg-bewandelaars. 

SHASTRA
Systematishce interpretatie van en commentaren op soetrateksten; sterk didactisch getint. 

SHIKANTAZA [Chin.: zhigan dazuo]
Letterlijk: “Enkel zitten, alleen maar zitten”.
Het beoefenen van zazen als expressie van de boeddha-natuur, zonder idee van doel of iets bereiken:
“Verlichting is oefening, oefening is verlichting” (Huineng; Dogen).
Belangrijkste – maar niet exclusieve – oefenvorm binnen de Soto school.
Zie ook teksten van Hongzhi (“Stille Verlichting”). 

SHILA (10)
[regels, discipline, voorschriften, moreel gedrag]
Zie ook “paramita” en “oefening, drievoudige -“.
1. geen doodslag
2. geen diefstal
3. geen onzedelijkheid
4. geen leugen
5. geen verslaving
6. geen maaltijd na middag
7. geen vermaak (muziek, dans, etc.)
8. geen opsmuk (parfum, sieraden)
9. geen bedstee
10. geen contact met geld of kostbaarheden 

SHILA, BODHISATTVA- (10) [bodhisattva-regels; innerlijke discipline]
1. geen doodslag
2. geen diefstal
3. geen onzedelijkheid
4. geen leugen
5. geen verslaving
6. geen roddel
7. geen grootspraak
8. geen afgunst
9. geen wrok
10. geen loochening van de 3 juwelen 

SHUNYATA [“leegte, ruimte”]
Shunya = leeg, van de wortel “zwellen”, dus: gezwollen. Zonder eigen-aard (svabhava).
Al het samengestelde (samskrita) is vergankelijk (anitya), zelveloos (anatman) en aan lijden (duhkha) onderhevig.
Zie ook 3 merktekens (trilakshana). 

SKANDHA (5) [groepen, verzameling, bestanddelen]
Onder andere genoemd in de Tien Stadia Soetra.
Zij creëren en/of bestendigen de ego-illusie.
Van buiten naar binnen:
1. rupa skandha – elementen, stoffelijkheid, zintuiglijkheid, vorm
2. vedana skandha – gevoel, sensatie
3. samjna skandha – waarneming, perceptie, denken
4. samskara skandha – mentale impulsen, wens, onderscheid
5. vijnana skandha – besef, bewustzijn via de zes zintuigen 

SOETRA: “Tripitaka 

STATEN (4) [brahma-vihara]
Letterlijk: goddelijke staten.
1. maitri – onmetelijke vriendelijkheid
2. karuna – onmetelijk mededogen
3. mudita – onmetelijke vreugde
4. upeksha – onmetelijke gemoedsrust 

TATHAGATA
Letterlijk: “de zodanig gegane”; vergelijk een andere aanspreektitel: Sugata: “de goed gegane”.
Synoniemen voor de Boeddha. 

TIANTAI [Jap.: Tendai]
Letterlijk: “het hemels platform”.
Boeddhistische school die Nagarjuna als haar grondlegger beschouwt, en die definitief vorm vond via Chih-I (538-597).
Haar onderricht is gebaseerd op de Lotus soetra – de school wordt dan ook wel de Lotus school genoemd (net als de Zuiver Land school, trouwens).
In de 8e eeuw naar Japan gebracht door Saichô, en zijn leerling Ennin – dezelfde die ook het Zuiver Land onderricht naar Japan bracht.
Vier belangrijkste oefenvormen: studie van de Lotus soetra, beoefening van de Mahayana-voorschriften, esoterische rituelen (mudra, mantra, mandala), en meditatie (chi-kuan).
Tiantai beschouwt alle Boeddhistische scholen als legitieme erfgenamen van Boeddha. Om alle richtingen een plaats te geven, verdeelt Tiantai Boeddha’s onderricht in 5 fasen, waarin het onderricht telkens een ander accent heeft. 

TOEVLUCHTEN (3) [trisharana]
Letterlijk: “drievoudige toevlucht”.
Ook “juwelen” genoemd (kostbaarheden).
1. Boeddha, als leraar
2. Dharma, als “medicijn”
3. Sangha, als gezelschap
Geformuleerd als:
1. Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha
2. Ik neem mijn toevlucht tot de Dharma
3. Ik neem mijn toevlucht tot de Sangha  

TRIPITAKA (3)
Letterlijk: “3 manden” – van de leer, de Dharma.
1. vinaya – pitaka [lett. discipline]; voorschriften, regels, e.d.; 3 delen:
  1. monniken
  2. nonnen
  3. diversen
2. soetra – pitaka [lett. draad] – onderricht; 5 “verzamelingen” (nikaya; agama):
  1. digha-nikaya [lange verzameling]
  2. majjhima-nikaya [middelste -]
  3. samyutta-nikaya [verenigde -]
  4. anguttara [trapsgewijze -]
  5. khuddaka [korte -]; o.a. Dhammapada
3. abhidharma – pitaka [lett. speciale leer]; psychologie en filosofie. 

TRIKAYA (drie lichamen): zie “3 lichamen 

TRISHARANA (drie toevluchten): zie “3 toevluchten 

VERGIFTEN (3) [akushala]
Materiaal waarmee de “dieven” (6 zintuigen) door de zintuigpoorten op roof gaan.
Oorzaak van dwalen door 6 bestaansvormen, van lijden dus; te transformeren in de 3-voudige oefening.
1. hebzucht (lobha): lost op in grootmoedigheid (dana) – symbool: haan.
2. woede (dvesha): lost op in vriendelijkheid (maitri) – symbool: slang.
3. onbegrip (moha): lost op in inzicht (vipashyana) – symbool: varken. 

VERLANGENS (5)
1. slaap
2. voedsel
3. zingenot
4. rijkdom
5. roem 

VERLICHTING [bodhi, lett. “ontwaakt”]
Eenheid van nirvana en samsara; inzicht in shunyata; begrip van tathata (“zodanigheid“).
“Bodhi is gelijk aan oefening.” (Asanga, in Wisdom 82)  

VERLICHTINGSASPECTEN (37) [bodhipakshika-dharma]
1. de 4 grondslagen van waakzaamheid [satipatthana]
1. lichaam
2. gevoel (vedana)
3. geest (chitta)
4. bewustzijn
2. de 4 volmaakte inspanningen [samyak-prahanani]
1. beheersen
2. overwinnen
3. ontwikkelen
4. onderhouden
3. de 4 wegen naar vermogen [riddhipada]
1. concentratie van intentie
2. concentratie van wilskracht
3. concentratie van geest (chitta)
4. concentratie van moed/onderzoek
4. de 5 mentale wortels [indriya]
1. van vertrouwen
2. van toewijding
3. van aandacht
4. van concentratie
5. van wijsheid
5. de 5 krachten [bala]
1. vertrouwen
2. toewijding
3. aandacht
4. concentratie
5. wijsheid
6. de 7 factoren van verlichting [bodhyanga]
1. aandacht [smriti]
2. onderscheid tussen goed en kwaad
3. energie [virya]
4. vreugdevolle visie [priti]
5. overwinnen van passies [klesha]
6. gemoedsrust [upeksha]
7. onpartijdigheid
7. het achtvoudig pad [ashtangika marga] 

VERMOGENS (10) [dashabala]
1. kennis omtrent wat mogelijk is of niet in elke situatie
2. kennis omtrent het rijpen (vipaka) van daden
3. kennis omtrent goede en slechte eigenschappen van anderen
4. kennis omtrent neigingen van anderen
5. kennis omtrent de vele bestanddelen van de wereld
6. kennis omtrent wegen tot de diverse bestaansvormen
7. kennis omtrent het ontstaan van reinheid en onreinheid
8. kennis omtrent bezinning, samadhi, bevrijdingen en dhyana
9. kennis omtrent dood en wedergeboorte
10. kennis omtrent het uitwissen van alle bezoedeling 

VIMOKSHA: zie “Bevrijdingen 

VINAYA: zie “Tripitaka 

VIPASHYANA: inzicht, helder gewaarzijn
Inzicht dat de ware aard van wereldlijk bestaan “leegte” is.
Dit inzicht voorkomt het ontstaan van nieuwe hechting.
Vipashyana is een van de twee fundamentele factoren voor verlichting; de andere is shamatha (kalmeren van de geest). 

VISIES, VERKEERDE – (7) [drishti]
1. geloof in een ego
2. verwerpen van karma-leer
3. eeuwigheidsgeloof
4. nihilisme
5. verkeerde regels volgen
6. karma uit slechte daden goedkeuren
7. twijfelen aan waarheden 

WAARHEDEN (4) [arya-satya; de 4 edele waarheden]
1. duhkha – lijden
2. samudaya – oorsprong: trishna (dorst, behoefte), 8e keten
3. nirodha – oplossing
4. marga (ashtangika) – pad (achtvoudig) 

Bodhidharma omschrijft ze als “de vier allesomvattende oefeningen“, houdingen of manieren van omgaan met 4 waarheden:

1. ONRECHT AFLOSSEN
Gedurende vele levens heb ik het wezenlijke verwaarloosd en uiterlijkheden nagejaagd. Dat heeft allerlei onrecht en negatieve gevolgen veroorzaakt. Al doe ik dat nu niet meer, voor de gevolgen stel ik me verantwoordelijk; dit lijden is niet afkomstig van goden of medemensen. Denk aan de soetra: “Wie lijden ontmoet, maakt zich niet druk. Het maakt je immers bewust van de grondoorzaak.”

2. DE STROOM VOLGEN
Levende wezens bezitten geen zelf; zij veranderen via karmische condities (omstandigheden). Plezier of pijn – als de karmische oorzaak is vereffend, komt het ten einde. Winst en verlies zijn karmisch bepaald, maar Bewustzijn wordt niet meer of minder. Als de wind van voorkeur gaat liggen, heerst er harmonie.

3. NIETS ZOEKEN
Stervelingen zijn altijd op zoek, hechten zich. Maar de wijzen zijn waakzaam, weten wat werkelijk is. Vanuit de innerlijke waarheid opereren zij in alle omstandigheden. De geest vindt vrede in Leegte, er is niets te wensen. Alles wat lichaam heeft moet lijden. Wie dit doorziet houdt op met zoeken. De soetra zegt: “Waar zoeken stopt, begint gelukzaligheid.”

4. DE WEG BEOEFENEN
De Weg is het Onderricht van de Werkelijkheid (Dharma): de innerlijke waarheid dat elke wezenlijke aard zuiver is. Deze waarheid maakt de veelheid van verschijningsvormen leeg. De soetra zegt: “In de Dharma zijn er geen bestaansvormen, want de Dharma is niet besmet door bestaan, en de Dharma kent geen zelf, want de Dharma is niet besmet door een zelf.” Wie deze innerlijke waarheid begrijpt, beoefent vanzelf de Weg. Het werkelijkheidslichaam benijdt het stoffelijke lichaam niet. Daarom zijn de wijzen hartelijk en vrijgevig. Zij kennen de drievoudige leegte van gever, ontvanger en geschenk. En op basis van deze leegte beoefenen zij alle andere deugden (paramita) van de Weg. 

WERELDEN (3) [tri-loka; ook 3 “rijken”]
Drie sferen waaruit samsara is opgebouwd en waarbinnen kringloop van geboorte en dood in de 6 bestaansvormen plaatsvindt.
Buiten deze drie is er ook de “dharma-dhatu”, het werkelijkheidsdomein.
1. kama-dhatu (verlangen)
Verblijfplaats van 6 laagste hemelbewoners, en van mensen, dieren, demonen, hongerige geesten en hellewezens.
2. rupa-dhatu (subtiele vormen, gedaante).
Verblijfplaats van 17 typen hemelbewoners (goden).
3. arupa-dhatu (vormloos).
Verblijfplaats van 4 soorten deva. 

WETTEN (3)
1. 4 waarheden
2. 12 ketens
3. 6 paramita’s 

WIEL [chakra]
dharma-chakra (waarheidswiel; 8 spaken symboliseren 8-voudig pad)
bhava-chakra (rad des levens; zie samsara)
prana-centra: de energiecentra in het lichaam (7) – zie pagina energiesysteem  

YOGACARA
“Toepassing van yoga [= eenwording]”; ook wel genoemd Vijnanavada, “De school die bewustzijn onerricht”.
Samen met de Madhyamika school van Nagarjuna, de belangrijkste school binnen Indisch Mahayana boeddhisme, gegegrondvest door Maitreyanatha (± 400) en zijn leerling Asanga (samen met diens broer, de Zen-patriarch Vasubandhu).
De Yogacara school is een belangrijke historische pijler voor de ontwikkeling van Zen.
Centrale notie van Yogacara: alle mogelijke ervaring is “enkel bewustzijn” – onze ware aard is “zodanigheid“, leegte.
Waarnemingen zijn geen objecten, maar kennisprocessen (samenhangend met het alaya-bewustzijn, voorraadbewustzijn – zie (bewustzijn).
Daarnaast vond ook de leer van de “trikaya” (3 lichamen) definitief vorm via de Yogacara school. 

ZAZEN
Japans, letterlijk: “zitten in Zen”.
Zen meditatie.  

ZEKERHEDEN (4) [vaisharadya]
Kenmerkt een boeddha.
1. verlichting is onomkeerbaar
2. einde aan alle woekering (asrava; lett.: uitstroom, afscheiding; ook: kanker)
3. alle hindernissen overwonnen
4. bekendmaking van de weg die samsara achterlaat 

ZELF (2)
1. boeddha – leven op basis van gelofte: zuiver / gewaar zijn
2. sterveling – leven op basis van karma: onzuiver / gehecht zijn 

ZINTUIGEN (6) [shadayatana]
Ook “bekoringen” genoemd. Eerste zes vormen van bewustzijn. 5e “keten”.
Te transformeren tot 6 paramita.
1. oog
2. oor
3. neus
4. tong
5. lijf
6. brein 

ZODANIGHEID [tathatata]
Letterlijk: “de ware aard van het zodanige”; vgl.: “Dharma-ta”.
Synoniem voor “shunyata”, leegte.
“Suchness never moves” (Texts 321; Wisdom 92). 

ZUIVER LAND [Chin: Ching-t’u; Jap.: Jôdô]
Het Zuiver Land boeddhisme werd als school gesticht door Hui-yuan in 402, door middel van het Witte Lotus Genootschap (vandaar soms verwarrenderwijs de Lotus school genoemd – net als de Tiantai school).
Naar Japan gebracht door Ennin (793-864) – die ook het Tiantai onderricht bracht – en daar tot bloei gekomen door Hônen (1133-1212).
De school wordt gekenmerkt door een eenvoudig, diep vertrouwen in de boeddha Amitabha (Jap.: Amida).
Amitabha is heerser over het westelijk paradijs Sukhavati, een bewustzijnsstaat die “het Zuiver Land” wordt genoemd.
Zie Sukhavati-vyuha soetra (de basis soetra van de Zuiver Land school). 

 

 

De Vier Edele Waarheden

Nadat de Boeddha de verlichting had bereikt, gaf hij in het Hertenpark in Sarnath (noord India) zijn eerste onderricht, dat ging over de Vier Edele Waarheden. Zij vormen het fundament voor het boeddhisme.

  • 1. Het bestaan van lijden - Er is lijden.
  • 2. De oorzaken van lijden - Het lijden heeft een oorzaak.
  • 3. Het einde van lijden is mogelijk: Nirvana - Het lijden kan stoppen.
  • 4. Het pad dat leidt naar het opheffen van de oorzaken van lijden

De Vier Edele Waarheden

1. Het bestaan van lijden

Variërend van ontevredenheid tot kwelling, is lijden een steeds terugkerende ervaring in ons leven. Het woord ‘lijden’ is een vertaling van het Sanskriet ‘Dukkha’, wat ook veel algemener ongemak, frustratie of het ervaren van problemen betekent. De Boeddha bedoelt dat het lijden ons hele bestaan doordringt en zowel onze geest als ons lichaam beïnvloedt. Geluk is slechts van korte duur en maakt snel weer plaats maken voor ontevredenheid, behoefte aan verandering of begeerte. Niets in onze wereld is helemaal perfect of betrouwbaar, en onze enige zekerheid is de dood, waarbij we alles verliezen waar we aan gehecht zijn.
2. De oorzaken van lijden

Gewoonlijk geven we de omstandigheden of andere mensen de schuld van onze pijn en frustraties. Maar als we heel eerlijk zijn, ontdekken we dat ons hart vol zit met eindeloze verlangens: “Als ik dat en dat heb, dan zal ik gelukkig zijn”, maar ook op een subtieler niveau als “Ik wil goed zijn, rijker zijn, beter zijn, ik wil…” Het lijken allemaal wel goede ideeën, maar ze leiden nooit tot een volledige voldoening.
In plaats van voldoening komt ons ontevreden ego altijd weer met andere wensen. Deze eindeloze verlangens laten ons dingen doen die vaak negatief zijn voor anderen, en deze negatieve acties (karma) resulteren in de toekomst weer voor nieuwe problemen voor onszelf. We begrijpen niet dat onze eigen manier van denken en daden in feite ons eigen geluk of ongeluk voor de toekomst bepalen.

3. Het einde van lijden is mogelijk: Nirvana

De Boeddha (zoals bijna iedereen in zijn tijd in India) geloofde niet alleen in wedergeboorte, maar door zijn geestelijke ontwikkeling wist hij ook dat wedergeboorte bestaat. De dood kan dus niet het einde betekenen van alle lijden, omdat we gewoon weer herboren worden in een ander lichaam, met de bijkomende problemen. Toen de Boeddha de verlichting bereikte, begreep hij dat er toch een definitief einde kan komen aan dit lijden; in de staat van Nirvana. Dit inzicht is een inspiratiebron voor boeddhisten om te proberen zich ook te bevrijden van de wereld van onbevredigde verlangens en ellende.

4. Het pad dat leidt naar het opheffen van de oorzaken van lijden

De Boeddha geeft advies om te leven op een manier waarbij we ons niet langer laten leiden door eindeloze verlangens, maar de voorwaarden te scheppen om uiteindelijk Nirvana en zelfs het boeddhaschap te bereiken. Dit kan bij voorbeeld door het achterwege laten van de tien negatieve activiteiten (zoals doden, stelen, sexueel wangedrag, liegen, etc.) en beoefenen van het achtvoudige pad. Dit pad biedt praktische manieren om onze verlangens en problemen te verminderen en uiteindelijk geheel te stoppen, zodat we de verlichting bereiken en van alle lijden verlost worden. De factoren van het achtvoudige pad kunnen worden onderverdeeld in ethish gedrag, concentratie en wijsheid:

Ethisch gedrag (Sanskriet: śīla)

1. Juiste spraak / communicatie
2. Juiste acties, handelingen
3. Juist levensonderhoud

Concentratie (Sanskriet: samādhi)

4. Juiste inspanning
5. Juist bewustzijn – niet opgewonden, wel helder en mindful
6. Juiste concentratie

Wijsheid (Sanskrite: prajña of jñana)

7. Juiste motivatie / intentie
8. Juist inzicht in de realiteit

Het acht voudige pad

De Boeddha geeft advies om te leven op een manier, waarbij we ons niet langer laten leiden door eindeloze verlangens. Wijzelf kunnen de voorwaarden scheppen om uiteindelijk Nirvana en zelfs het Boeddhaschap te bereiken. Dit kan door het achterwege laten van de vijf negatieve activiteiten (doden, stelen, seksueel wangedrag, liegen, gebruik van verdovende middelen) en door het beoefenen van: Het Achtvoudige Pad.

Ethisch gedrag:

  • 1. Juist spreken
  • 2. Juist handelen
  • 3. Juiste levensonderhoud.

Concentratie:

  • 4. Juiste inspanning
  • 5. Juist bewustzijn
  • 6. Juiste concentratie
  • 4. Het pad dat leidt naar het opheffen van de oorzaken van lijden

Wijsheid:

  • 7. Juiste motivatie / intentie
  • 8. Juiste inzicht

1. JUIST INZICHT
Naast het kennen van de vier edele waarheden wordt er ook nog iets anders mee bedoeld.

De basis van onwetendheid ligt in een verkeerd begrip en perceptie van de waarheid. Het juiste inzicht staat dus op de eerste plaats. De zeven volgende zijn daarvan afgeleid. Ze ondersteunen ons in het bereiken en het behouden van het juiste inzicht. Juist inzicht is niet zozeer het begin van het Pad, maar juist dit inzicht vormt meer het besluit dit pad te volgen.

Het juiste inzicht betekent ook dat je niet zomaar iets voor waar aanneemt. Ook niet omdat de boeddha het zei..
Het betekent vooral vanuit helderheid (“rigpa”) je verwarring (“ma-rigpa”) onderzoeken.

2. JUISTE GEDACHTEN
In de kern ben je helder en die eigenschap bezit je nog steeds. Misschien wat ondergestoft en niet meer helemaal zichtbaar maar je bezit het nog steeds. Dat is namelijk jouw boeddha-natuur. Vanuit die (flarden van) helderheid ben je voortdurend in staat om te zien, voelen en ervaren dat je jezelf klem zet. Vaak door patronen en gedachten. De juiste gedachten (die vanuit de helderheid zijn ontstaan) zijn belangrijk om niet in het rad van begeerte, dramatiseren en identificeren terecht te komen.

Soms lukt dat vooraf maar meestal achteraf of tijdens het proces dat jezelf klemzet. Door hier alert op te zijn trek je het moment van bewustzijn naar voren. Van ‘shit, toen deed ik het weer’ naar ‘oops, het gebeurt nu op dit moment’ tot ‘ik heb een keuze om het wel of niet te doen’.

Sense of Happiness noemt dat een barstje in het denken….
Juiste gedachten zijn gericht op welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid, geweldloosheid, harmonie en mededogen. En niet op zelfzucht en begeerte.

3. JUIST SPREKEN
Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Probeer maar eens een dag niet te roddelen – negatief over iemand te spreken – de schuld bij de ander te leggen – te oordelen over een ander – iets anders te zeggen dan je werkelijk denkt – ergens iets van te vinden… – niet te liegen…

Dan zul je merken dat juist spreken een levenskunst is die vrijwel niemand verstaat. En dan hebben we het nog niet eens over de ‘innerlijke stemmetjes’, gedachten die in je hoofd spreken, maar over wat je werkelijk aan geluid produceert. Juist spreken ontgift jezelf en de ander.

4. JUIST HANDELEN
Klinkt ook vrij logisch… Maar is ook nog niet zo eenvoudig. Juist handelen betekent dat je vanuit mededogen en helderheid je akties vormgeeft. Dus niet in strijd handelt met je intenties en voornemens maar congruent bent in je handelen. Dat juiste handelen geldt zowel naar jezelf toe als naar je medemens. En vanuit het boeddhisme naar alle levende wezens. Een extra dimensie die hier bijkomt is dat je handelen karma veroorzaakt. What goes around comes around. En het rad van karma wordt doorbroken door juist te handelen. Op een subtiel niveau trouwens ook door juist te denken.

5. JUISTE WIJZE VAN LEVENSONDERHOUD
Alles wat bijdraagt aan geweld, onvrijheid, jaloezie etc. is geen juiste wijze van levensonderhoud. Werken in de wapenindustrie, vleesverwerking of ongediertebestrijding is vanuit het boeddhisme not done. Daar gaan ze misschien voor jouw begrippen erg ver in, maar het is logisch dat als je ‘juist handelt’ (vanuit helderheid) je dat niet aan de kant zet omdat je toevallig geld moet verdienen.

6. JUISTE INSPANNING
De juiste inspanning is er op gericht om je bewustzijn te vergroten en daarmee te doorzien wat je niet wilt en niet goed voor je is en te oefenen in wat je wel wilt en goed voor je is. De vuistregel is: “wat goed voor jou is is ook altijd goed voor je medemens”.

7. JUISTE MEDITATIE + 8. JUISTE CONCENTRATIE
Over meditatie is al veel gezegd en geschreven dus laten we het maar eens anders omschrijven en zowel meditatie als juiste concentratie beet pakken.

1. Verricht slechts één activiteit op een gegeven moment.
2. Schenk je volledige aandacht aan die ene activiteit.
3. Als je geest afdwaalt van die activiteit, leid hem dan terug.
4. Herhaal stap nummer drie enkele duizenden malen per dag.

Meditatieavond

19:30 - 22:00
Dinsdagavond

Neem contact op met ons

Persijnstraat 31 | 2678 TJ | De Lier
pieval@pieval.nl